Home » Het kosmische denken in de microkosmos

Het kosmische denken in de microkosmos

Print Friendly, PDF & Email

In het verhaal van de schepping zoals dat werd beschreven in het oude India[1], is het eerste dat in het begin van de kosmische evolutie voortkomt uit de oermaterie die zich rondom het universele zelf van de kosmos bevindt: de kosmische intelligentie. Uit deze kosmische intelligentie ontspringen alle individuele intelligenties die aanwezig zijn in alle gemanifesteerde dingen in de kosmos.

In de individuele mens manifesteert het zich als menselijk intellect, menselijk denkvermogen. Maar in de andere rijken van de natuur doet het zich voor als de intelligente werking die in alle vormen van de natuur aanwezig en weerspiegeld is. Want gaat niet de werking van een plantaardige of dierlijke cel, het aanpassingsvermogen en de verfijnde technologie die we zien in het planten- en dierenrijk, of de bijzondere en uiterst slimme constructie van eiwit- of DNA-moleculen het gewone menselijk begrip te boven?

Volgens de theosofische opvatting is het kosmische intellect in werkelijkheid het geheel van de goddelijke en spirituele intelligenties van de kosmos, de menigte van dhyāni-chohans (post-menselijke ‘heren van meditatie’, ‘goden’)[2]. Aldus is de eerste ‘schepping’ of liever emanatie het opnieuw ontwaken van de menigte kosmische intelligenties die zich in vroegere ‘scheppingen’ (liever cyclussen van existentie) ontwikkelden. Die eindeloze menigte van intelligenties vormt in zijn hiërarchische opbouw op alle niveau’s de intelligente kern van alles wat in de natuur aanwezig is en wat zich zal ontwikkelen. Naar analogie van de macrokosmische intelligentie die het ontstaan en de processen van het heelal leiding geeft, is deze op microkosmisch niveau in elk levend wezen weerspiegeld. Alle aspecten en wetten van het heelal zijn overal tegenwoordig (Vandaar de alomtegenwoordigheid van ‘God’ zoals de Christenen het uitdrukken – een gedachte die ook is gerefelcteerd in de moderne ideeen over holisme).

In een artikel vanHP. Blavatsky genaamd Mind in Nature and in Man (blz. 5-6)vinden we:

Het occultisme vertelt ons dat ieder atoom … een klein universum op zichzelf is; en dat ieder orgaan en iedere cel in het menselijk lichaam is voorzien van een eigen brein, met een geheugen, en daarom met ervaring en het vermogen om dingen te onderscheiden. Het idee van universeel leven dat is samengesteld uit individuele atomische levens is een van de oudste leringen van de esoterische filosofie …. Als van planten kan worden aangetoond dat ze zenuwen en waarneming en instincten bezitten (wat slechts een ander woord is voor bewustzijn), waarom zouden we dan niet hetzelfde kunnen veronderstellen voor de cellen van het menselijk lichaam. De wetenschap verdeelt materie in organisch en anorganisch, alleen omdat zij het idee van een absoluut leven en een levensbeginsel als entiteit verwerpt …. [Blavatsky zegt in 1890:] De moderne wetenschap staat, dank zij de fysiologie, aan de vooravond van de ontdekking dat bewustzijn universeel is.[3]

In de tijd van Blavatsky moeten zulke opmerkingen voor de meeste wetenschappers als abracadabra geklonken hebben, en ook nu zullen nog velen zulke dingen naar het rijk der fabelen verwijzen en als ‘onwetenschappelijk’ zo snel mogelijk in de prullenbak of doofpot willen stoppen. Een uitzondering uit Blavatsky’s tijd was Edison, de uitvinder van de fonograaf: die geloofde dat atomen in het bezit waren ‘van een zekere hoeveelheid intelligentie.’ Maar zijn tijdgenoten beschouwden Edison als een dromer. Toch worden dit soort ideeën steeds meer door wetenschapsmensen herkend en ondersteund, zij het nog niet in het circuit van de gevestigde orde. Ik wil dit met een aantal voorbeelden demonstreren. Wellicht zijn sommigen van hen inwendig gemotiveerd door de wens een christelijk creationisme te ‘bewijzen’ of promoten, maar dat doet niet af aan de feiten die ze aandragen.

De scheikundige Michael J. Behe heeft zijn boek Darwin’s Black Box: the Biochemical Challenge to Evolution[4] volgeschreven met voorbeelden van buitengewoon complexe biochemische processen in de natuur, met name in het menselijk lichaam. Een voorbeeld is de reeks processen die plaatsvindt vanaf het moment dat een foton, een ‘lichteenheid’ het netvlies raakt. Ik zal hier zijn verhaal in iets vereenvoudigde vorm navertellen. Dit is geen scheikundeles, en het doel is op deze plaats niet om alle details te kunnen volgen; het gaat erom iets aan te geven van de complexiteit van de processen van de natuur.

Wanneer licht het netvlies bereikt brengt een foton een reactie teweeg in een molecuul dat cis-retinal heet. In een picoseconde, een zeer kleine fractie (10-12) van een seconde, verandert dit molecuul in trans-retinal, dat alleen maar in de ruimtelijke structuur waarin de atomen binnen het molecule zijn gerangschikt verschilt van cis-retinal, Dit brengt dan een verandering teweeg in een eiwit genaamd rhodopsine. Door de resulterende vormverandering van rhodopsine verandert het gedrag ervan. Het hecht zich nu aan een ander eiwit, genaamd transducine. Voordat dit gebeurde, was transducine stevig gebonden aan een klein molecuul genaamd GDP[5], maar nu valt dat GDP eraf; en een ander molecuul GTP hecht eraan vast. Er zitten nu dus drie moleculen aan elkaar, terwijl er een relatief klein molecuul is losgekomen. Het nieuwgevormde grote molecuul bindt zich aan een ander molecuul, dat in het binnenste membraan van het netvlies aanwezig is, een enzym[6] genaamd fosfodiësterase, Daardoor verkrijgt dit molecuul het vermogen om zogenaamde cGMP-moleculen[7] ‘door te knippen’. Oorspronkelijk zijn er een heleboel van zulke moleculen, maar nu worden het er veel minder, omdat ze worden verknipt en dus tot andere moleculen worden. Het gevolg hier weer van is dat er een zogenaamd ionenkanaal, waardoor zich normaliter Na+[8] ionen begeven, wordt gesloten. Dit veroorzaakt een onevenwichtige elektromagnetische toestand dwars over het celmembraan. Het gevolg daarvan is dat er een elektrische stroom gaat lopen door de gezichtszenuw naar de hersenen. Het gevolg daarvan is vervolgens dat de lichtimpuls het bewustzijn bereikt en wordt herkend als ‘zien.’ Maar dat is nog niet alles. Want als dit even door zou gaan, zou het aantal van de benodigde moleculen in de cel die de lichtimpuls opvangt snel opraken. Er moet een mechanisme zijn dat de eiwitten die actief waren geworden weer tot stoppen brengt, zodat de cel weer in zijn oorspronkelijke toestand kan terugkeren. Er zijn verschillende mechanismen voor. Ten eerste laat het bovengenoemde ionenkanaal in het donker behalve Na+ ionen ook Ca2+ ionen door. Normaliter wordt de calcium teruggebracht door een speciaal daarvoor bestemd eiwit. Maar indien tijdens de verwerking van de lichtimpuls het ionenkanaal gesloten doordat de concentratie aan cGMP-moleculen afneemt, neemt de concentratie aan calciumionen ook af. Het bovengenoemde enzym fosfodiësterase wordt trager als de concentratie aan calciumionen vermindert. Ten tweede begint een eiwit dat guanylaat-cyclase heet, wanneer de calciumconcentratie omlaaggaat, opnieuw cGMP aan te maken. Ten derde, terwijl dit alles aan de gang is, wordt metarhodopsine II aangepast door een enzym genaamd rhodopsine-kinase, Het gemodificeerde rhodopsine hecht zich vervolgens aan een eiwit genaamd arrestine, wat voorkomt dat rhodopsine verder transducine kan activeren. De cel heeft aldus een mechanisme om het versterkte signaal van een enkel lichtfoton te beperken. Trans-retinal, dat nu van rhodopsine afvalt, moet uiteindelijk weer worden omgezet in cis-retinal, het molecuul waarmee het allemaal begon. Hiervoor is de werking van drie verschillende enzymen nodig. Dan is de cyclus compleet en de cel is gereed om weer een nieuwe lichtimpuls te verwerken.

Ter samenvatting: ik heb zelfs in dit vereenvoudigde model 18 verschillende chemische stoffen genoemd. Dit proces is, evenals miljoenen andere processen in de natuur, zo complex, dat het meer voor de hand lijkt te liggen dat er een overzicht dragende en organiserende substantie aan ten grondslag ligt die zich op een ander niveau bevindt dan dat waarop de eigenschappen van de atomen of hun onderdelen zelfstandig hun werking hebben. Uiteraard maakt deze ‘organiserende substantie’ slechts gebruik van de inherente eigenschappen van de atomaire en subatomaire fysica, maar lijkt er ‘kennis’ van te hebben en zich op te kunnen stellen ‘boven’ de automatische processen die de atomen zelfstandig teweeg kunnen brengen. Die ‘organiserende substantie’ zou men dan ‘intelligentie’ kunnen noemen, met dien verstande dat deze intelligentie op vele niveaus, (al dan niet in samenhang met bewustzijn) zou kunnen werken. Er zou dan sprake zijn van een hiërarchie van substanties, binnen wat men ‘intelligentiesubstantie’ zou kunnen noemen. Volgens dit model kan intelligentie even alomtegenwoordig zijn als de substantie die we fysieke materie noemen. Het ligt dan voor de hand te vermoeden dat zo’n ‘intelligentiesubstantie’ subtieler en daarmee waarschijnlijk sneller van aard is dan de grote en trage atomen van de fysieke materie. Met deze hypothese is dan ook een brug geslagen tussen de oosterse (en andere) benaderingswijzen van het tot stand komen van organisatie in de natuur.

Er heeft dus heel wat plaatsgevonden voordat één lichtimpuls door het bewustzijn wordt waargenomen en het oog gereed is een volgende impuls te ontvangen. En dit is nog maar een zeer vereenvoudigde beschrijving. Over de processen van geleiding van de elektrische impuls door de zenuwcel hebben we het bijvoorbeeld nog helemaal niet gehad. En natuurlijk bestaat een herkenbaar beeld uit ontelbare lichtimpulsen, en bovendien bevatten die nog specifieke informatie over het karakter van het voorwerp dat we zien in de vorm van verschillende te onderscheiden golflengten – bijvoorbeeld diegene die we kleur noemen.

Hiermee is alleen nog maar gesproken over een reeks scheikunde reacties, maar de vraag hoe die impulsen door het bewustzijn geïnterpreteerd worden als iets reëels, en bijvoorbeeld iets ronds dat we zien herkend wordt als hetzelfde ronde voorwerp dat we met onze hand kunnen voelen, is vooralsnog een mysterie. Het lijkt erop dat ieder object bepaalde universele (boven de zintuigen zelf) verheven parameters bevatten. Het mysterie lijkt pas te kunnen worden opgelost als we eerst onderkennen dat zintuiglijk en intelligent onderscheidingsvermogen en bewustzijn inherente kwaliteiten zijn van alle materie, of nog liever andersom: dat wat wij in het dagelijks leven materie noemen ‘gekristalliseerde’ fasen zijn van bewustzijn-intelligentie. Want als de subtiele krachten van de natuur zoals intelligentie en bewustzijn en leven zaken zouden zijn die fundamenteel iets anders zijn dan materie, zou de overbrugging van de kloof tussen geest en materie onverklaarbaar zijn.

Michael Behe gebruikt de voorbeelden van complexiteit in zijn boek om ervoor te pleiten dat er sprake is van ‘design’, een ‘ontwerpplan’ in de natuur. De stap is dat makkelijk te maken om te zeggen dat er een ‘ontwerper’ of ‘schepper,’ zeg maar God, moet zijn. Maar daarmee komen we geen stap verder, als die ‘God’ dan ergens buiten of boven ons zit, en we nooit zullen kunnen bevroeden hoe ‘Hij’ dat eigenlijk allemaal doet. Als daarentegen kosmische intelligentie (alsmede zaken als kosmisch schoonheidsbesef, en kosmisch verlangen) inherent aanwezig is in elk voorwerp, hoe groot of klein ook, en dus ook in onszelf, betekent dat, dat het voor de mens in principe mogelijk is alles in alle facetten binnen onze gemanifesteerde kosmos te begrijpen met zijn denkende en voelende geest.

Zelfs maar één klein facetje van het menselijk geheel, het doorgeven van licht aan de hersenen, zit ongelofelijk gecompliceerd en intelligent in elkaar. Er zijn vele voorbeelden te noemen, bijvoorbeeld de werking van het immuunsysteem of de bloedstolling bij verwonding, waarvan de processen zo ontzettend gecompliceerd zijn dat zelfs menselijke ingenieurs met de hoogste IQ’s ze niet zouden kunnen ontwerpen. Dit geldt vooral voor de gecompliceerde cybernetische tegenkoppelingsproccesen, waarvan sommige alleen optreden in geval van zeldzame calamiteiten. Het wordt daarom uiterst onwaarschijnlijk dat dit alles door blinde toevalsprocessen plaatsvindt en evenzo de eigenschappen die in de (sub)atomaire materie inherent aanwezig zijn in de evolutie, eenvoudig alleen al omdat het de aarde in haar bestaan aan tijd zou ontbreken om dit alles in de hoogstens een paar miljard jaar dat zij oud is te ontwikkelen. Het darwinistische evolutiemodel lost veel zaken die we in de natuur waarnemen niet op, maar het christelijke god­-de-scheppermodel doet dat ook niet. Want wie heeft dan die ongelooflijk intelligente God geschapen? En hoe kan een god die zelf van een wezenlijk andere aard is dan zijn schepping deze überhaupt teweegbrengen? Alleen een alomtegenwoordigheid van intelligentie als de inherente aard van alles wat zich in de kosmos heeft gemanifesteerd, en een oneindig voortgaande opeenvolging van cyclussen van ontplooiing, kan de intelligente complexiteit van de natuur verklaren.

Een andere creationistisch georiënteerde schrijver, Michael J. Denton, schrijft zijn boek Nature’s Destiny[9] rond zijn opvatting dat alles in het universum past in een vooropgezet plan om het leven op onze planeet, in het bijzonder dat van de mens, mogelijk te maken. Hij noemt dat de biocentriciteit van het heelal. Hij noemt vele eigenschappen van natuurkundige en scheikundige omstandigheden die precies zo zijn als ze moeten zijn, en die geen functie zouden hebben als ze net even anders waren. Een voorbeeld is het zuurstofgehalte in de lucht. Iets minder zuurstof en er zou helemaal geen verbranding en op zuurstof gebaseerd leven mogelijk zijn. Iets meer zuurstof en zelfs de natte tropische bossen zouden spontaan ontbranden en de aarde zou weldra in een zwartgeblakerde bal veranderen. Een ander voorbeeld is water. Dit is alleen doorzichtig in een heel klein golflengtegebied. ‘Toevallig’ komt dit gebied precies overeen met de golflengten van het licht dat wij kunnen zien, valt het binnen de smalle golflengteband die de zon uitstraalt en valt de golflengte die planten nodig hebben voor fotosynthese erbinnen. In ondoorzichtig water zou fotosynthese, en dus zeker leven in zee, helemaal niet mogelijk zijn. Het zou ook niet zo kunnen zijn dat een andere vloeistof dan water de zeeën van de aarde zou kunnen vullen, want er is geen enkele andere vloeistof denkbaar die precies al die chemische en fysische eigenschappen heeft die voor het stoffelijk leven noodzakelijk zijn. En zo schrijft hij zijn boek vol met voorbeelden van schijnbare toevalligheden, die, als ze net even anders zouden zijn dan ze zijn wat betreft hun eigenschappen, de hele zaak in het honderd zouden gooien. Hij bespreekt de eigenschappen van een aantal chemische elementen, zoals ijzer dat zuurstof transporteert in het bloed, van koolstof, het sleutelelement van alle stoffelijk leven, van specifieke moleculen, de eigenschappen van gassen zoals kooldioxide, van de omvang van organismen (zoals bijvoorbeeld de mens die nooit vuur zou kunnen maken als hij veel kleiner was (hij had dan namelijk nooit voor de vlammen uit kunnen lopen en zou zijn omgekomen), enzovoort. Natuurlijk is dit boek enerzijds een voorbeeld van hoe je naar een doel dat je graag wilt aantonen toe kunt redeneren. Het maakt het doel geloofwaardig, maar bewijst niets werkelijk. Je weet nooit of het ook niet heel anders zou (hebben) kunnen zijn. Toch raakt men onder de indruk van de enorme hoeveelheid argumenten die beschikbaar zijn die wijzen op een intelligente en noodzakelijke samenhang tussen alle facetten van het leven, inclusief de minerale aarde en het zonnestelsel, in feite het hele heelal. Niets wijst erop dat er blind toeval aan het werk is. Dentons boek gaat in feite nog veel verder dan Lovelock’ s Gaiahypothese, die stelt (of suggereert) dat de aarde als geheel in haar processen verwantschap vertoont met een levend organisme. Lovelock lijkt echter het idee van doelgerichtheid in de natuur af te wijzen, en verklaart (wellicht uit pragmatische overwegingen?) zijn Gaia toch als resultaat van het darwinistische evolutiemodel.

Een interessant voorbeeld uit Denton’s boek is dat van de eiwitten. Eiwitten zijn opgebouwd uit ketens van aminozuren die voornamelijk uit koolstof, waterstof en stikstof bestaan. Eiwitten hebben een specifieke ruimtelijke structuur die heel gevoelig is (bijvoorbeeld voor temperatuur en zuurgraad van de omgeving) en heel gemakkelijk veranderd (en weer hersteld) kan worden met een bepaald doel in het levende geheel. Eiwitten zijn stabiel, echter maar net. Ze verkeren in een delicate balans, steeds dicht bij instabiliteit, op de drempel van chaos (ontregeling). Ze zijn in staat zich aan bepaalde stoffen te binden en deze in ander verband weer los te laten. Juist deze eigenschap zorgt ervoor dat ze tal van functies kunnen vervullen, bijvoorbeeld bij het katalyseren van andere chemische reacties in de cel. Eiwitten hebben het vermogen informatie van verschillende chemische oorsprong te integreren, welke wordt bepaald door de concentratie in de cel van de betreffende chemische stoffen. Zoals we hebben gezien in het voorbeeld van het oog, maken eiwitten het hierdoor mogelijk dat de processen in de cel zichzelf reguleren. Deze zelfregulatie heet allosterie. Eiwitten hebben aldus een opmerkelijk tweezijdig vermogen – ten eerste het uitvoeren van unieke chemische reacties en tegelijkertijd het integreren van informatie over de concentratie van verschillende chemische stoffen in de cel, en ten tweede het intelligent reageren op deze informatie door hun eigen enzymactiviteit te vergroten of te verkleinen, naar wat in de gegeven omstandigheden nodig is. Hoe het mogelijk is dat eiwitten deze tweezijdige eigenschap bezitten wordt vooralsnog als een van de grootste geheimen van het leven beschouwd. Het betekent dat de functionele units of eenheden die de fundamentele chemische processen ten uitvoer brengen tevens de regulerende eenheden zijn. Het is deze eigenschap die cruciaal is voor het in ordelijke samenhang functioneren van een cel, waardoor de chaos wordt voorkomen die ongetwijfeld het gevolg zou zijn als de enzymactiviteit niet voortdurend precies zou worden aangepast aan de steeds veranderende behoeften van de cel. Het is, zegt Denton terecht, dit opmerkelijke vermogen van eiwitten om de rol van microprocessor zowel als van dat van functionele machine in één object te verenigen, die eiwitten veel geavanceerder maken dan enig door mensen gemaakt instrument. Bijvoorbeeld in een oven is er een thermostaat om de temperatuur te regelen, en een functionele eenheid, de brander of elektrische spiraal, die de hitte levert. In een eiwit zijn deze twee eigenschappen, de regulering en de functionerende eenheid in één molecuul of entiteit verenigd.

In bijvoorbeeld het oude Hindoese boek Vishnu Purāa zien we dat de kosmische intelligentie in zijn lagere aspect scheidend is, dat wil zeggen, zich manifesterend in een oneindig aantal verschijningsvormen, maar in zijn hogere aspect niet-scheidend, dat wil zeggen, de eenheid van alle dingen kennend, wetende dat de schijnbare afgescheidenheid van de verschijnselen een illusie is.

Het boeddhisme stelt dat het inzicht dat af gescheidenheid een illusie is en dat alle dingen in hun geestelijke essentie met elkaar zijn verbonden, of liever één zijn, het allerhoogste inzicht is. Als we deze leer op ons eiwit toepassen, moeten we dan niet concluderen dat de geestelijke kern van het eiwit in zijn specifieke functie intelligentie is, die zich tevens in haar hogere aspect verenigd weet met het grotere functionerende geheel waarvan zij deel uitmaakt? In dit geval het grotere geheel van de cel, die weer deel uitmaakt van het menselijk, dierlijk of plantaardig lichaam. De mens of de plant of het dier maakt weer een functioneel deel uit van het geheel van de aarde, enzovoort. Evolutie van de natuur is slechts steeds voortgaande ontplooiing van het kosmische denken.

Laten we nu terugkeren naar het artikel van Blavatsky. Blavatsky beweerde: “dat ieder orgaan en iedere cel in het menselijk lichaam is voorzien van een eigen brein, met een geheugen, en daarom met ervaring en het vermogen om dingen te onderscheiden. “

Hoe kon ze dat zeggen bij de toenmalige stand van wetenschappelijk onderzoek? Men had wel gewone microscopen, maar nog lang niet de moderne apparatuur om gedetailleerd onderzoek te kunnen doen aan de inwendige structuren van een cel. Blavatsky’s kennis is deduceerbaar uit het occulte axioma betreffende het functioneren van het universum en uit het hermetische axioma van analogie, die op alle niveaus toepasbaar is. Is er intelligentie in het grote bestel van de kosmos, dan is die er ook in een cel, en moet er in de stoffelijke cel een complexe structuur zijn die subtiel genoeg is en functioneel te vergelijken met het stoffelijk brein om die intelligentie te dragen, of liever, dat geschikt is om de processen van intelligentie op stoffelijk gebied mogelijk te maken.

Zoals uit bovengenoemde voorbeelden blijkt is het bestaan van intelligentie in biologische en zelfs chemische structuren geenszins meer taboe in het wetenschappelijk denken. Maar hoe staat het met de opvattingen over het bestaan van een brein, bewustzijn en het vermogen om dingen te onderscheiden? Een moderne onderzoeker, de celbioloog dr. Guenther Albrecht-­Buehler van het Institute for Advanced Studies in Berlijn en prof. Robert L. Rea van een universiteit in Chicago, hebben hier uitgebreid over geschreven en zelf tientallen jaren onderzoek gedaan in verband met dit vraagstuk. Hun lange artikel Cell Intelligence is te vinden op internet[10] Hier in het kort een aantal punten. Zij stellen in de kop van hun artikel: ‘… intelligente ecosystemen bevatten intelligente populaties, die intelligente organismen bevatten, die intelligente cellen bevatten, die intelligente onderdelen bevatten, die … enzovoort.

Op grond van langdurig onderzoek concluderen zij dat cellen de bewegingen van alle delen van hun lichaam onder controle hebben. Er zijn dus geen willekeurige bewegingen, maar alles wordt gereguleerd vanuit een controlecentrum, het centrosoom. Het centrosoom is een orgaantje dat in dierlijke en menselijke cellen voorkomt en dichtbij de celkern ligt. Het is in de eerste plaats bekend als het gebiedje in de cel waarvandaan tijdens de celdeling de ‘kabels’ lopen die de chromosomen uiteen trekken. Op de een of andere manier lijken ze dus de leiding te hebben over de celdeling. In het centrosoom bevinden zich twee centriolen, dat zijn twee precies loodrecht ten opzichte van elkaar gesitueerde cilindertjes, die weer zijn opgebouwd uit negen lichtgekromde lamellen, evenwijdig met de as van de cilinders. Uit hun onderzoek is waarschijnlijk geworden dat deze cilindertjes binnenin, onderaan de lamellen, lichtgevoelige organen moeten bevatten, op zo’n manier dat alleen een (infrarode) lichtstraal die uit een bepaalde hoek komt zo’n orgaantje kan beschijnen. De andere liggen in de schaduw omdat de lamellen allemaal een andere richting uitwijzen. Op deze manier kan de cel rondom zich heen waarnemen uit welke lichting lichtsignalen van andere cellen komen, waardoor de cel in staat is zich gewaar te zijn van ruimte.

Eveneens is uit hun onderzoek gebleken dat cellen – bacteriën en andere micro-organismen – keuzes kunnen maken wat betreft hun verplaatsingsrichting. Dicht bij de buitenkanten van de beweeglijke cel liggen orgaantjes die microplasten worden genoemd, en die beschouwd kunnen worden als de bewegingsspieren van de cel. Vanuit het centrosoom lopen kanaaltjes in alle richtingen naar de ‘spieren’ van de cel. Deze blijken de ‘zenuwbanen’ binnenin de cel te zijn, die de ‘spieren’ aanzetten, waardoor de cel zich in de gekozen richting kan begeven. Als men deze kanaaltjes chemisch verlamt, zijn de bewegingen van de cel ongecoördineerd. Vroeger geloofde men dat cellen blindweg, automatisch, reageerden op chemische impulsen uit de buitenwereld. Maar nu is gebleken dat cellen licht kunnen waarnemen en de richting waar dat vandaan komt, en op grond van die informatie een keuze kunnen bepalen. De cellen zelf vertonen dus coördinerende activiteit. De cel heeft een vorm van waarnemingsvermogen, en een orgaan – het centrosoom – voor de verwerking van informatie. Men zou dit het brein van de cel kunnen noemen. Op grond van die informatie wordt een zinnige keuze bepaald. Vervolgens wordt een signaal naar de ‘spieren’ verzonden en de cel als geheel begint zich te verplaatsen. Zou men dit in menselijke termen omzetten, kan men zeggen dat de ze iets zien, dat met hun hersenen verwerken, vermoedelijk het voertuig van een zeker mentaal bewustzijn, en via hun zenuwen een signaal naar hun spieren sturen, die daardoor beginnen te bewegen. Inderdaad precies wat wij doen als we iets zien waar we naar toe willen of er juist vandaan. Het centrosoom wordt door celbiologen beschouwd als ‘een van de meest mysterieuze delen van de cel’ en als ‘drager van informatie over de vorm van de cel,‘ aldus de schrijver van het artikel.

Natuurlijk kan een cel ook nog andere impulsen waarnemen behalve licht, bijvoorbeeld chemische impulsen of temperatuurverschillen, of het in botsing komen met een andere cel. De schrijvers stellen dat ‘een intelligente cel een compartiment bevat dat in staat is een diversiteit aan fysisch verschillende en onvoorspelbare signalen te verzamelen en te integreren als basis voor het maken van beslissingen die het gegeven probleem oplossen.’ Dit compartiment is naar alle waarschijnlijkheid het centrosoom. Beslissingen zijn alleen zinvol als er een zekere kennis (anders dan voorgeprogrammeerde kennis) aan ten grondslag ligt. Er moet daarom ook zoiets zijn als een geheugen. Andere opmerkelijke uitspraken van deze onderzoekers zijn: ‘Als cellen intelligent zijn, zouden hun moleculen en hun genen eerder hun “medewerkers” of zelfs “slaven” zijn dan de “meesters” van de levensfuncties van cellen.” Ze beschouwen de celkern niet zozeer als de leider van de cel, maar eerder als de ‘hoofdbibliotheek’ met al haar in het DNA opgeslagen informatie. En: ‘Alscellen intelligent zijn, zou een medische behandeling eerder “praten met cellen” moeten inhouden dan ze te overstelpen met farmaceutische middelen.‘ En: ‘Als cellen intelligent zijn, zou men een organisme moeten beschouwen als een enorme populatie van intelligente individuen.‘

Dat houdt natuurlijk niet in dat er geen overheersende invloed van zo’n individu zou uitgaan waaraan de cellen als dienstwillige dienaren ondergeschikt zijn, want anders zou ons lichaam al gauw een krioelende chaos worden. Dat cellen zich precies naar de juiste plaats in ons lichaam kunnen begeven, doet vermoeden dat ze zich richten naar een onzichtbaar model van ons lichaam. Zelfs het feit dat cellen licht en richting en ruimte over korte afstanden kunnen waarnemen kan geen verklaring geven voor de perfecte rangschikking die ze aannemen in het lichaam van een dier, plant of mens. Om dat te verklaren kunnen we onze toevlucht nemen tot de theosofische leer omtrent het bestaan van een liga śarīra of astraal modellichaam, dat een rechtstreekse afspiegeling is van het innerlijk van het wezen waartoe het lichaam behoort. Daar dit astrale modellichaam hecht verbonden is met de er doorheen stromende elektrovitale energie die bekend staat als prāa, ligt het voor de hand het mechanisme hiervan te zoeken in een magnetisch orgaan en waarnemingsvermogen in de cel. Iets waar naar mijn weten nog geen onderzoek naar is gedaan.

Al het bovenstaande betreffende de centrosoom belust op recent wetenschappelijk onderzoek. Het is interessant erbij te halen wat De Purucker er vanuit zijn occulte kennis over zei in de jaren twintig of dertig, toen aan biologen het centrosoom alleen nog bekend wat als ‘twee minuscule zwarte puntjes’ in de cel. Hij zegt in zijn Studies in Occult Philosophy (blz. 444-5):

In ieder cel bevindt zich een centrale prānische kern die de levenskiem is van een

levensatoom, en de hele rest van de cel is slechts het timmerwerk van de cel dat daar rond omheen is gebouwd door de krachten die te voorschijn stromen uit het hart van dit levensatoom. Moderne celbiologen zien alleen het huis, maar bespeuren de mystieke bewoner er binnenin niet, maar de occultist kijkt naar de mystieke bewoner binnenin, ofwel het levensatoom. Uit uw beschrijving zou ik zeggen dat het levenatoom werkt door de twee kleine puntjes of vonkjes in het centrosoom, die bij het begin van de celdeling uit elkaar gaan, en de energieën ervan stromen uit van deze twee kleine puntjes, en ieder klein puntje is als het ware al het begin van een nieuwe cel; of, om het in andere woorden te zeggen, de ene blijft het centrale deel van de moedercel, terwijl het andere kleine puntje het centrale deel van de dochtercel wordt, etc.

Al deze verschijnselen van de celdeling zijn slechts het werk van de innerlijke ziel van de fysieke cel, die eerst de nucleolus of het kernlichaampje [een of meer compacte structuren binnen de celkern die rijk zijn aan (ribosomaal) RNA] doet ontwaken en daarna de celkern. Er bestaat een zeer sterke verbinding tussen deze twee kleine puntjes en het kernlichaampje van ieder cel, hoewel dit wellicht niet onmiddellijk duidelijk is. Het is het kernlichaampje dat het meest nabije fysiek bekleedsel is van het levensatoom. … Het hart van een oorspronkelijk kernlichaampje in een cel is het levensatoom, en de twee kleine puntjes of plekjes in het centrosoom zijn als het ware de verlengstukken of de vingers van de energie ervan. De energie van het oorspronkelijke levensatoom, dat het hart van een cel is, werkt door het hele raamwerk of de structuur in het algemeen van de cel heen, maar meer in het bijzonder door het kernlichaampje en de twee kleine puntjes [de centriolen].”

Hoewel de gewone wetenschap slechts de stoffelijke zijde van de dingen beschouwt, lijken haar bevindingen naarmate zij vordert steeds weer en steeds meer met de occulte beweringen te harmoniseren. Het grote verschilpunt tussen de occulte wetenschap en de gewone wetenschap blijft echter dat de eerste de zaken van de innerlijke, geestelijke kant bekijkt, en de laatstgenoemde van de uiterlijke, stoffelijke kant. Zou men de innerlijke processen in zichzelf waarnemen en bestuderen, met name de meer verfijnde en geestelijke aspecten, en vervolgen het axioma van de analogie toepassen, zouden occulte en gewone wetenschap blijken samen te vallen.

Tenslotte nog een toelichting op het bovenstaande over celbiologie in relatie met de wetenschap van de hindoes: zij geloven, aldus Blavatsky in haar bovengenoemde artikel (p. 17-8), ‘dat ieder atoom van de materie in ieder van de vier of vijf elementen een emanatie of uitstroming is van een lagere god of godin, die zelf een eerder emanatie is een hogere godheid; en bovendien dat ieder van die atomen … zodra ze zijn geëmaneerd, worden begiftigd met bewustzijn, ieder van zijn eigen soort, en met een vrije wil, actief binnen de grenzen van de [van toepassing zijnde] wet. Naast de naam Anu, wat ‘atoom’ betekent, heeft de god die het universum onderhoudt, Vishnu, nog vijf fundamentele titels, te weten Bhutātman, één met de gecreëerde of geëmaneerde materialen van de wereld; Pradhanātman, ‘één met de zintuigen’; Paramātman, ‘Allerhoogste ziel’; en Ātman, kosmische ziel, of het universele denken – en dit toont duidelijk genoeg aan wat de oude hindoes bedoelden wanneer ze intelligentie en bewustzijn toekenden aan ieder atoom en aan ieder een onderscheiden naam van een god of godin gaven. Als men hun pantheon, dat bestaat uit 300 miljoen goden en godinnen binnen de macrocosmos (het universum) of binnen de microcosmos (de mens), en het zal blijken dat hun aantal niet overdreven is, want het verwijst naar de atomen, cellen en moleculen van alles dat bestaat.

  1. Zie het artikel Evolutie in het Viṣṇu Purāṇaop deze site. [<<]
  2. [<<]
  3. Populaire voorbeelden over deze onderwerpen vindt men onder andere in: Peter Tompkins and Christopher Bird: The Secret Life of Plants, Harper & Row, New York; Robert B. Stone: Het geheime leven van je cellen, Ankh-Hermes, Deventer; Lyall Watson: The nature of Things: The Secret Life of Inanimate Objects, Destiny Books, Rochester. [<<]
  4. FREE Press, New York, 1996 [<<]
  5. GDP, i.e. Guanosinedifosfaat en GTP, Guanosinetrifosfaat, zijn ribonucleotiden, complexe moleculen die een belangrijke rol spelen bij de energiehuishouding van de cel. [<<]
  6. Een enzym is een molecuul dat de chemische reacties tussen andere moleculen versnelt of vertraagt [<<]
  7. Cyclisch Guanosinemonofosfaat [<<]
  8. Na+ en K+ zijn elektrisch geladen Natrium- en Kaliumionen die instrumenteel zijn in het verplaatsen van elektrische impulsen langs de uitlopers van zenuwcellen [<<]
  9. Michael J. Denton, Nature’s Destiny; How the Laws of Biology Reveal Purpose in the Universe. The Free Press, New York, 1998. [<<]
  10. Zie ook het artkel ‘Intelligence in the Microcosm‘ op deze site [<<]