Home » Wat hindoeïsme is

Wat hindoeïsme is

Print Friendly, PDF & Email

Uit: Handboek hindoeïsme; Uitgeverij Synthese,

Rotterdam, 2010 ISBN 9789062710560

 Zijn dagelijks leven is zijn hele leven lang, van de moment
dat hij opstaat tot het moment dat hij naar bed gaat,
een eerbetoon aan de geestelijke wereld.

Wat is een hindoe?

Hoewel in het dagelijks spraakgebruik de term hindoeïsme vaak wordt gebruikt om een religie aan te duiden, is dit in werkelijkheid te beperkt. Het gebruik van het woord ‘hindoeïsme’ als zodanig stamt uit recente tijden. De hindoes zelf noemen hun religie Sanātana Dharma, wat ‘eeuwige religie’ (of wet, ondersteuning, levenstaak, plicht betekent). Het woord ‘hindoe’, evenals ‘Indus’ en ‘India’ is ontstaan door een Perzische en Griekse verbastering van de naam van de rivier de Sindhu, en werd door volkeren die de uit het westen kwamen als een algemene aanduiding gebruikt voor de mensen die zij aantroffen bij en voorbij de Indusrivier. De rivier ontspringt vanuit het meer Mānasa Sarovara aan de voet van de allerheiligste berg van zowel hindoes, boeddhisten als jains, de berg Kailās in Tibet, en stroomt door het huidige oosten van Pakistan naar de Arabische golf. Later werd deze naam geassocieerd met alle bewoners van India of Hindoestan. Het spreekt vanzelf dat hier ook toen al een rijkdom aan culturen, volken, rassen, levenswijzen en religies bestond. Het land had een lange geschiedenis achter zich, en het denken en het leven van de mensen had zich op vele manieren ontwikkeld. Diverse stromingen ontstonden uit elkaar, bestonden naast elkaar, beïnvloedden elkaar en soms bevochten ze elkaar.

Twee stromingen

In ieder geval de laatste duizenden jaren – tenminste vijf millennia, maar waarschijnlijk veel langer, tot de komst van de Islam, was er sprake van twee hoofdstromingen in het Indiase cultuurgebied. Hiermee bedoel ik het Indiase cultuurgebied in een ruimere betekenis: het omvat de landen die nu bekend staan als Afghanistan, Pakistan, Nepal, Tibet, Bhutan. Ook de Zuidoostaziatische landen tot en met Indonesië en China, en Iran en verder in het Westen kan men tot de invloedsfeer van het Indiase denken rekenen. Die twee stromingen zijn de śramanistische traditie en de vedische traditie.

De śramanistische traditie

De śramanistische traditie legt het accent op het door middel van eigen inspanning bewust bereiken van de goddelijke essentie in ons (śram = zich inspannen). Tot deze behoren het jainisme en het boeddhisme. Zuiverheid, geweldloosheid, mededogen en ascese zijn de middelen bij uitstek om zichzelf van onwetendheid en illusie te bevrijden, en het welzijn en de emancipatie van alle levende wezens te dienen. De cyclus van steeds maar weer geboren worden en sterven wordt hierdoor tenslotte beëindigd. Jains en boeddhisten ontkennen de autoriteit van de veda’s[1], de heilige werken van het hindoeïsme die de basis vormen van vedische traditie, althans niet zoals de veda’s later in maatschappelijke en rituele zijn geïnterpreteerd. De kosmologie van jainisme en boeddhisme zijn weliswaar deels verschillend, maar ook sterk verwant aan die van de hindoese traditie, en er zijn teveel overeenkomsten in de leringen en de diepere betekenis van de verschillende stromingen om vol te houden dat er sprake is van twee volkomen apart onstane en ontwikkelde systemen.

De vedische traditie

De vedische traditie (vaidika paramparā) erkent de veda’s juist wel, en baseert zich er geheel op. Veda betekent Kennis. De veda’s beschrijven de functies van de diverse goden en werkingen van het heelal, en hoe de mens met die goden kan communiceren met het doel in harmonie met hen op aarde te leven. De veda’s bevatten de kennis, fysische en metafysische, van het heelal. Bevrijding van illusie en het bereiken van het goddelijke is hier evenzeer het uiteindelijke doel van het menselijke bestaan als in de śramanistische traditie, maar dit staat niet op de voorgrond in het dagelijkse bewustzijn van de hindoes. Het op de juiste wijze vervullen van zijn plicht op aarde, in harmonie met en als reflectie van de bedoeling van de goden, is het belangrijkste. Maar voor het bereiken van hoger bewustzijn en innerlijke kennis is strenge ascese (tapas) of intellectuele concentratie een voorwaarde, en men vindt talloze beschrijvingen van heiligen en zieners die hun wijsheid en goddelijke vermogen erdoor verwierven. Oorspronkelijk stond hogere kennis centraal, later kwamen rituelen om van alles te bereiken of van de goden af te dwingen steeds meer op de voorgrond te staan en gingen het hele Indiase leven beheersen. Maar dat betekent niet dat de hogere kennis die de mensen en de mensheid tot volledige ontplooiing zullen brengen geheel verloren is gegaan.

De upanishaden, samen de vedānta genoemd, die het laatste (anta), samenvattende en meest esoterische deel van de veda’s vormen, spreken niet over ritueel. Op deze upanishaden is de voornaamste en diepzinnigste en ook nu nog meest invloedrijke school van het Indiase denken, de advaita ofwel de non-dualistische vedānta gebaseerd.

Hoewel er veel discussie over is of jains en boeddhisten eigenlijk tot de hindoes gerekend moeten worden, wordt gewoonlijk met hindoeïsme alleen dat conglomeraat van religie, filosofie en cultuur bedoeld dat is terug te voeren op de veda’s Hindoeïsme en vedische traditiekunnen dan als synoniemen worden gebruikt[2]

Hindoeïsme

Het hindoeïsme als religie is niet gesticht of geïnitieerd door één bepaalde leraar, zoals men dat wel kan zeggen van het boeddhisme dat met de Boeddha begon, of het christendom met Jezus Christus. Het is veelal het product van de evolutie (en soms ook de vernauwingen) van het denken van wijzen en filosofen gedurende de mensheidsontwikkeling. In feite weet niemand wanneer dat begon, maar we mogen aannemen dat zolang de mens een denkvermogen gekoppeld aan een zelfbewustzijn heeft, hij heeft nagedacht. Verlangen om het wezen van de dingen en van zichzelf en van het goddelijke te kennen is iets dat de mens kennelijk eigen is, in alle delen van de wereld, in alle tijden van de geschiedenis. In die zin kan men zeggen dat elke indeling in religies kunstmatig is: Alle zijn beweeglijke (maar soms helaas bevroren) stromingen binnen de mogelijkheden van het menselijke denken, waarnemen en onderzoeken. En we mogen aannemen dat we als mensheid nog maar net aan het begin staan van wat de ontwikkeling van ons denkvermogen aangaat. Want we denken pas hoogstens een paar miljoen jaar na – haast niets in vergelijking met de ontwikkeling van de stoffelijk vormen op aarde die eerder in miljarden jaren geteld moet worden.

Elke stroming die bestond en bestaat werd overeenkomstig de ontwikkeling van de mensheid in bepaalde tijdperken en op diverse plaatsen op aarde geïnspireerd en van nieuwe impulsen voorzien door grote leraren, die in hun eigen inzichten en kennis ver boven de mensheid stonden. Het idee dat cultuurontwikkeling werd aangezet door zulke grote figuren is universeel. Men treft dit idee aan in de Euraziatische zowel als in de oude Amerikaanse, Afrikaanse en Australische religies. Zulke figuren worden bij ons goden genoemd, of, in India, deva’s, rishi’s[3], avatāra’s, boeddha’s, dhyāni boeddha’s[4], tīrthaṅkara’s[5], hemelse draken in China, of in het oude Midden- en Zuid-Amerika ‘Gevederde Slangen.’ De grootste filosofen uit die culturen hebben dat idee nooit ontkent en hebben zichzelf slechts als bescheiden menselijke vertolkers van het gegeven materiaal beschouwd. Misschien is de moderne westerling uniek in de opvatting dat wij de dingen zelf uitvinden en origineel bedenken.

De levende traditie

Het hindoeïsme bindt in onze tijd de harten van 800 miljoen mensen, en inspireerde miljarden door de eeuwen heen. Wat betekent het in praktijk om een hindoe te zijn? De Sanātana Dharma[6] reikt tot diep in het bewustzijn van de mensen, dieper dan waar de logica kan gaan. Hij doordringt en kleurt ieder aspect van het dagelijks leven. De Eeuwige Religie die in India de vorm van ‘hindoeïsme’ heeft aangenomen, betreft werkelijk alles wat te maken heeft met de aarde en de hemel. hindoeïsme wijst het aardse leven niet af en doet er alles aan om het zo goed en prettig mogelijk te laten verlopen. In andere religies is het soms voorgekomen dat zó’n afkeer van het wereldse bestaan werd gepropageerd dat veel mensen met een voortdurend zondebesef rondliepen, met als bijverschijnsel een levenslange angst voor eeuwige bestraffing na de dood. Een hindoe weet dat het aardse leven tijdelijk is, maar wie goed doet, goed ontmoet. Dat is de wet van karma. Er is echter een nog veel grotere belofte dan het aardse leven, namelijk een hoger leven dat de goden behaagt, en het vooruitzicht op de mogelijkheid zich uit de cyclus van geboorte en dood los te maken naarmate wijsheid toeneemt en het aardse leven zijn charme verliest. Dood is niet iets om bang voor te zijn. Hij is maar tijdelijk, en na eventuele mislukkingen in het leven is er altijd een nieuwe kans. Iedereen bouwt aan zijn eigen toekomst, ook zijn eindeloos verre toekomst.

Het leven van de goden is niet gescheiden van dat van mensen, dieren en welk ander leven dan ook. De mensen geloven in God en God gelooft in de mensen. De goden stellen het voorbeeld en de mensen begrijpen en vertrouwen dat wat zij proberen duidelijk te maken zinvol is, zoals een kind zijn ouders vertrouwt. Mensen proberen te luisteren naar de goden, die op hun beurt hun vertegenwoordigers zenden om nieuwe impulsen te geven, nieuwe aanwijzingen voor een goed leven, en, bovenal, helpen de menselijk geest in zijn ontwikkeling te ondersteunen. De goden of hun afgezanten, als ze zijn geïncarneerd, zijn bereid lichamelijk te lijden en sterven voor de zonden van de mensen in hun meedogende inspanningen om de wereld en alles wat daarin en daarop leeft te onderwijzen. Ze kunnen echter noch de zonden, noch het daaruit voortvloeiende karma van de levende wezens tenietdoen. Uiteindelijk is het de bestemming van mensen om zelf goden te worden, en dat worden ze niet als hen hun moeilijkheden (opdrachten) uit de hand worden genomen.

Geweldloosheid en een aards bestaan dat de goden behaagt doordringen de levenshouding van alle hindoes. Nuchtere moderne mensen die in flats wonen gaan ’s morgens naar beneden om het eerste brood van die dag, voordat ze zelf eten, buiten aan een koe te geven. Vooral in Zuid India tekenen mensen nadat ze hun huis hebben schoongemaakt buiten voor de deur geometrische figuren van wit poeder. Als het goed is gebruiken ze daarvoor meel, zodat de insecten ook wat te eten hebben. Heel veel hindoes zijn vegetariër, want hoe kun je je jongere broeders en zusters pijn en dood aandoen alleen om je smaakorgaan te strelen? Zintuiglijk genot wordt in het algemeen laag gewaardeerd en zwelgen daarin is een welopgevoed mens niet waardig. In de straat waar ik woon is een aantal jaren geleden een groot instituut gebouwd. Op het terrein stonden honderden bomen, en de directeur vertelde me trots dat de werkers ze één voor één hebben uitgegraven en elders geplant. Op één of twee exemplaren na hebben alle bomen het overleeft.

India heeft een sterk en moedig leger en zelfs atoombommen, maar heeft nooit een buitenlandse natie trachten te veroveren of bedreigd.

Het eten dat mensen gebruiken is gebaseerd op filosofie: het dient evenwichtig en gezond te zijn en geen lijden voor andere wezens met zich mee te brengen. Zoals alles is ook eten bereiden een heilige activiteit. De keuken na het altaar de heiligste plaats in huis is. Je hoort er niet met schoenen aan binnen te gaan en alles moet hygiënisch zijn. Het goede laat iets goeds na, en het slechte iets slechts. Daarom zal een traditionele hindoe die vegetariër is zelfs geen voedsel aanvaarden dat is bereid met keukengerei dat ooit ook maar één keer in aanraking is geweest met vlees of eieren. Een goede kok richt zijn denken op God tijdens zijn of haar werk, bijvoorbeeld door heilige spreuken te reciteren, en soms doen werklui die iets in huis komen doen dat ook. In tempels en in huis wordt een klein beetje van elk gerecht eerst op het altaar aan een godheid geofferd. Dat bevordert ook de kwaliteit van de bereiding. Men voedt aldus symbolisch de goden, en deze zegenen op hun beurt het voedsel zo gelooft men, zodat het ‘praśād’[7] wordt.

Niets is verplicht, en er zijn vele persoonlijke dharma’s of religieuze plichten die mensen hebben aangenomen in overeenstemming met hun opvoeding, afkomst, kaste en omstandigheden. Ieder huishouden en ieder winkeltje heeft een heilig plekje, een altaartje met een beeldje of afbeelding van een godheid, en men doet er ieder ochtend zijn pūjā: De gezinsleden of de winkelier of wie het ook betreft begroeten de godheid met wierook en boterlampjes (āratī). Ze besteden er even aandacht aan dat er in het heelal iets hogers en respectvollers bestaat dan het aardse doen en laten, en dat ze daar zo goed mogelijk naar streven te leven. De meeste mensen zullen de telefoon niet aannemen als ze met hun pūja[8] of eerbetoon bezig zijn. Verder gebeurt alles even nuchter als overal ter wereld. Arbeid en zakenleven zijn geen noodzakelijk kwaad, maar dragen bij aan de bedoeling van de goden in de grote symfonie van het bestaan.

Een hindoe erkent de autoriteit van de veda, dat wil zeggen van de aan de mensheid door de zieners van het goddelijke geschonken literatuur als universeel en van alle tijden. Op grond daarvan zijn door de eeuwen heen wetboeken en andere interpretaties geschreven. Deze worden echter als mensenwerk, en niet als absoluut en van alle tijden beschouwd. Ze zijn voor de tijd waarin ze zijn gemaakt. In andere tijden kunnen aanpassingen plaatsvinden. Er bestaat dus niet zoiets als een dogma waaraan een hindoe zich ten koste van alles ten allen tijde moet houden. Alleen dat wat universeel is, van hogere oorsprong dan het redenerende denken, blijft.

Wat bezielt iemand die een moderne opleiding volgens westers model heeft ontvangen en dagelijks naar de televisie kijkt om naar een tempel of altaar te gaan om een godenbeeldje of symbool te begroeten? Sommigen denken dat ze daar iets voor terug krijgen en dat ze de goden om hulp, succes en rijkdom kunnen vragen. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat goden het materiële egoïsme van mensen zouden voeden, want dat zou in strijd zijn met alle heilige teksten; als er al enig resultaat uit voorkomt, komt dat voort uit de gedachte, het vertrouwen, de concentratie en de goede of kwade wil van de toegewijde, een soort placebo-effect. Maar meer ontwikkelde mensen – in geestelijke, niet per se in intellectuele zin – betekent het bezoek aan een tempel, een heilige plaats of het doen van pūja dat hij of zij zichzelf even op een hoger plan brengt, in een bewustzijnstoestand die uitstijgt boven het gewone, en in zijn denken en voelen bevestigt dat er hogere en nobeler wezens en krachten bestaan dan de menselijke. Onlangs ging ik naar een tempel binnenin een burcht op een heuveltop middenin een stad, die maar één dag per jaar open is voor het publiek. We moesten met zijn allen urenlang in de hete zon staan en stapvoets, duwend en geduwd wordend, de lange toegangsweg te midden van vele duizenden mensen beklimmen. Wat opviel was dat de meeste tempelgangers jongens tussen ik schat 17 en 22 jaar waren. Stel je dat eens voor in Nederland? Daarboven aangekomen bleek het heiligdom een minuscuul tempeltje te zijn met een Śivaliṅga[9] zoals men er duizenden ziet in India. De autoriteiten stonden wegens de drukte slechts een verblijf aldaar van één seconde toe. Wat bezielt al die mensen? Wat heeft de kasteelheren indertijd bezield om in dat grote kasteel met zijn dikke muren dat aan alle kanten een uitzicht tot aan de horizon biedt een plaats in te ruimen voor God? Als ze zouden hebben geloofd dat Śiva hen wel beschermde hadden ze die muren niet hoeven bouwen. Hun motivatie was niet angst, maar respect. Ware kṣatriyaa’s (strijders) riskeren hun leven niet in de eerste plaats om gebieden te veroveren ter verheerlijking van zichzelf, maar om het goddelijk bestel te beschermen; en dat is voor hen de beste manier waarop zij de mensheid kunnen dienen.

Er is sinds het verste verleden in de Indiërs een diep en reëel gevoeld bewustzijn dat er méér is, iets dat mooi is en heerlijk en verheven, en dat toeval in de kosmische orde uitsluit en chemische, geologische en astronomische en andere materiële processen te boven gaat. Iets van dat gevoel te ervaren houdt de mensen overeind en geeft ze de moed om verder te klimmen.

Hindoeïsme is in feite een natuurreligie, maar dan in de zin dat met natuur alles – en met name de hogere – natuur wordt bedoeld die boven het gebied van planten, dieren en gemiddelde mensen uitgaat. De goden zijn de hogere wezens, zoals dieren de wezens beneden het mensenrijk vertegenwoordigen. Iedere plek in de natuur, en in het bijzonder iedere heilige plek – waar de goden hun specifieke stempel hebben nagelaten – heeft een eigen karakter, een eigen gevoelswaarde. De verschillende heilige plaatsen te bezoeken raakt verschillende aspecten van iemands geestelijke psychologie. Voor wie dat voelt is ‘India’ meer dan slechts een toeristische trip.

Veel van wat ik hierboven heb geschreven klinkt veel mooier dan het in werkelijkheid is. Ondanks het principe van geweldloosheid zegt hebben koningen en prinsen voortdurend oorlogen gevoerd. Veel Indiërs hebben zich eindeloos verrijkt ten koste van de miljoenen die daartoe de positie niet hadden en doen dat nog steeds, ondanks de karmische leer die zegt dat ze volgende keer wel eens zelf in schrijnende armoede kunnen worden geboren. Wellicht heeft gemakzucht, denkende dat de goden de problemen wel zullen opknappen, geleid tot lethargie en een domper gezet op maatschappelijk en materieel welzijn. Het lijkt erop dat, zeker onder de toenemende westerse invloed, voor velen de enige ‘goden’ die ze werkelijk aanbidden Geld en Status heten. Ze zullen wellicht zeggen dat zelfs in de veda’s de goden worden aanroepen om weelde te verkrijgen, maar vergeten dat daarmee geestelijke rijkdom in de vorm van kennis, inzicht en de daarmee gepaard gaande transcendente vreugde wordt bedoeld. Ook heeft eeuwenlang de priesterkaste kans gezien om door verdraaide interpretaties mensen te onderdrukken en onrechtvaardigheden in de maatschappij te consolideren. Maar, zo leren de hindoes, dit is een Kaliyuga, één van de duisterste perioden in de mensheidsontwikkeling. Daarna zal er weer een gouden periode aanbreken waar rechtvaardigheid en eerlijkheid heersen en die gouden yuga gaat uit boven alles wat we ons nu kunnen voorstellen, en ieder heeft de keuze om zich daar al of niet op voor te bereiden.

 

  1. Veda, letterlijk: kennis; De vier veda’s vormen de literaire basis van de Hindoereligie [<<]
  2. Over het jainisme bestaat een Nederlands boekje getiteld Jainisme, een introductie, Ankh Hermes, 2005 ISBN 90-202-8356-1; in het Engels: Introduction to Jainism, Prakrit Bharat Academy, Jaipur, India, 200?, ISBN 81-89698-09-5; online at HereNow4U.net [<<]
  3. Ṛṣis zijn de wijzen, zieners, dichters (ook bewegers, in gang zetters) die onder andere de veda’s schreven [<<]
  4. Boeddha’s van meditatie, goddelijke boeddha’s, ter onderscheiding van menselijke of manuṣa boeddha’s [<<]
  5. de ‘boeddha’s’ van het Jainisme, zie de sectie Jainisme op deze site [<<]
  6. De Eeuwige Religie of Wet, in het Westen bekend als Hindoeïsme [<<]
  7. Praśad(am), letterlijk: zegen, genade, mededogen; dat wat men van de goden ontvangt; gewoonlijk voedsel dat op een altaar is geofferd en dan kan worden gegeten door de toegewijden van de betreffende godheid [<<]
  8. Pūja is ritueel eerbetoon aan een specifieke godheid [<<]
  9. rechtopstaand cylindervormig symbool van de god van hernieuwing Śiva. [<<]