Home » De symbolische betekenis van de strijd in de Bhagavad Gītā

De symbolische betekenis van de strijd in de Bhagavad Gītā

Print Friendly, PDF & Email

Uit:

Handboek Hindoeïsme

Uitgeverij Synthese, 2010

ISBN 978 90 6271 056 0

We moeten ons realiseren dat het gedeelte (met name het tweede hoofdstuk) van de Bhagavad-Gītā waarin Arjuna door Kṛṣṇa tot de strijd wordt aangevoerd op verschillende niveaus kan worden geïnterpreteerd. Het eerste is het wereldse niveau, het opwindende verhaal van twee legers die tegenover elkaar staan om een oorlog te beginnen. Dit is hoe simpel denkende mensen het lezen. Vanuit dit standpunt doet Kṛṣṇa ((Kṛṣṇa, die leefde op de overgang van twee belangrijke tijdperken ruim 5000 jaar geleden, wordt beschouwd als de achtste goddelijk nederdaling van het schepping-instandhoudende goddelijke wezen genaamd Viṣṇu dat de bestaandee schepping instandhoudt (begeleidt) die gedurende de hele bestaansperiode van ons universum actief is.)) niets anders dan een manier verschaffen om soldaten moed in te spreken – en inderdaad dragen veel soldaten dit boek in hun binnenzak als ze het gevecht ingaan. Nog niet zolang geleden vertelde de hindoepriester in het Britse leger in verband met de oorlogen in Afghanistan en Irak op grond van de Bhagavad Gītā tegen de hindoesoldaten: ‘God heeft jullie de gelegenheid gegeven je land te verdedigen en vrede in de wereld te handhaven’ en voegde eraan toe: ‘Ze moeten weten dat ze niemand doden, maar hun plicht doen.’ Heeft de priester gelijk? Zijn onze 21ste-eeuwse oorlogen karma’s die hun uitwerking moeten hebben om aldus de wereld van een last te ontdoen, om erger te voorkomen en ook als voorspel op de grote strijd die aan het einde van Kaliyuga zal plaatsvinden? Tegen dienstweigeraars zegt hij: ‘Plicht is onze prioriteit, het is ons karma, en we moeten deze onder ogen zien.’ Hier zien we dat dharma wordt geïnterpreteerd als wereldse plicht. De priester vermeldt niet dat ook is gezegd: ‘Geweldloosheid is de hoogste dharma’, en dat boven uiterlijke plicht de innerlijke plicht bestaat, en dat het iemands dharma kan zijn om het besef van beheersing, mededogen en broederschap in de mens te versterken, en dat zo’n keuze niet uit slapte of angst hoeft voort te komen. Ook vergeet hij dat het Mahābhārata ((Het Mahābhārata is het grootse en grootste heldendicht van de hindoecultuur dat speelt rondom een oorlog die plaatsvond op de overgang van twee tijdperken, ruim 5100 jaar geleden. De Bhagavad Gītā is daarin opgenomen)) een rechtvaardige en noodzakelijke oorlog was in een kosmische overgangstijd, om het oude uit de weg te ruimen zodat het nieuwe zich kon ontplooien. In ons Kaliyuga zijn beide partijen gewoonlijk onrechtvaardig.

We kunnen nauwelijks aannemen dat Kṛṣṇa die de incarnatie is van God, mensen zou aansporen tot wreedheid en de oorzaak zou willen zijn van de dood van 6 miljoen slachtoffers (hoewel die, zo wordt vermeld, rechtstreeks naar de hemel gaan als ze gedood worden in de strijd), en bovendien geen consideratie zou hebben met de miljoenen weduwen en wezen die hun leven verder alleen moeten voortzetten met hun verloren kansen en vaak grote psychologische wonden. En dan de vreselijke ziekten en epidemieën die zo’n oorlog in zijn kielzog heeft, de dood en de ondraaglijke pijn van ontelbare onschuldige dieren en een vernietiging van het milieu op grote schaal. Er moet wel een andere bedoeling zitten achter het schrijven van dit epos.

Literatuur is niet voor soldaten geschreven, maar voor ieder die belangstelling heeft voor de innerlijke roerselen van het leven, en de lezer komt daarbij meestal niet uit zijn of haar stoel. De lezer beleeft het verhaal innerlijk, en de reden waarom verhalen over strijd in alle tijden zo populair zijn is niet de agressie of bloeddorstigheid in de lezer, maar de herkenning van de innerlijke strijd tussen de hogere en lagere impulsen waaraan het denken, de gevoelens en het lichaam dagelijks zijn onderworpen.

Het tweede niveau waarop de tekst beschouwd kan worden is daarom symbolisch, en veel reëler dan het hierboven beschreven niveau. Symbolisch is het de strijd die iedere man of vrouw, u en ik, in zijn leven moet verrichten om illusies en frustraties te boven te komen, en uiteindelijk (na vele levens) bevrijding of nirvāṇa te bereiken, de onwrikbare en eeuwige Waarheid te kennen. Fysiek geweld is dan een veruiterlijking, een uitvlucht om de veel moeilijker innerlijke strijd uit de weg te gaan. Op dit symbolische niveau heeft de Gītā niets te maken met fysieke oorlogvoering en wapengeweld. Het is de innerlijke strijd die ieder van ons onvermijdelijk moet strijden – dit is onze geestelijke plicht of dharma.

Het derde niveau is dat van een aspirant tot yoga die werkelijk innerlijk heeft besloten het verborgen innerlijke pad te betreden dat daar naartoe leidt. Arjuna is die aspirant, die door alle fasen van het occulte pad heen zal gaan. Eenmaal besloten, is er geen weg meer terug. Maar iemand die deze keuze heeft gemaakt wordt gadegeslagen en innerlijk geadviseerd door het goddelijke in hem, en soms door een guru die het innerlijk van zijn leerling begrijpt en hem helpt zijn pad te gaan en de moed niet te verliezen. De innerlijke god of guru is hier Kṛṣṇa. Het slagveld is, Kurukṣetra, en symboliseert het lichaam waarin we leven, en Dharmakṣetra, het veld van dharma. Een ontwikkelde aspirant in de Ware Wetenschap gaat door een periode waarin alle duivels en verleidingen zich zichtbaar aan hem presenteren en hij tegen hen moet strijden op leven en dood. Als we het zo beschouwen is het hele Mahābhārata een ervaring die zich in Arjuna’s geest afspeelt – ook al heeft misschien een werkelijke oorlog die in de tijd plaatsvond model gestaan voor de dichter van het epos. Het wereldse bestaan is er om te leren te onderscheiden tussen wat universeel waar is en wat onwaar is. De verschillende aspecten die de nobele mens innerlijk ten dienste staan zijn de broers van Arjuna, samen de Pāṇḍava. De strijd die Arjuna moet vechten is op dit niveau van de Gītā de innerlijke strijd tegen alles wat hij in het verleden heeft opgebouwd. Ieder die, als hij eenmaal een ideaal en einddoel voor ogen heeft, gaat door zo’n periode van wanhoop als hij echt moet beginnen. Alle banden met het verleden, alle wereldse en sociale verplichtingen en vroeger geleerde leringen, hier voorgesteld als familieleden, vrienden en leraren aan de Kaurava-zijde, zoals Drona, de scherpschutter, behoren tot de wereld die moeten worden overwonnen. De Kaurava-koning, Dhritarashtra is blind omdat hij het wereldse vertegenwoordigt, dat wat niet werkelijk kan zien omdat de innerlijke zintuigen niet zijn ontwikkeld, waardoor juist onderscheidingsvermogen ontbreekt. We zien ook dat vele wapens die de Kaurava’s gebruiken magische wapens zijn, behept met onzichtbare krachten: zoals alle gedachten die men in het verleden heeft gehad en energie heeft gegeven samen het onzichtbare karma vormen dat de aspirant nu moet overwinnen en vernietigen. Elk karma, elke zwakheid en angst, manifesteert zich in verkorte tijd voor het bewustzijn: soms wordt het afgeketst doordat de aspirant inmiddels een hoger karakter heeft ontwikkeld, andere verwonden hem. En indien de bedoelingen niet geheel zuiver zijn, zoals in het geval van de uiterlijk moedige strijder Karna, zal men erdoor worden geveld (althans voor dit leven, want de ware strijder staat weer op en maakt niet weer dezelfde fouten). De moeilijkst te overwinnen vijanden zijn ideeën die men koestert en die uiterst nobel zijn. Arjuna wordt in zijn vertwijfeling geconfronteerd met werelds mededogen en het verlangen om geweldloos te zijn. Geweldloosheid is de hoogste dharma in het hindoeïsme. Niet-doden is het eerste voorschrift van alle ware religies. Maar zoals de Gītā, die een wijsheidsgeschrift is en niet een soldatenboek, het op dit niveau bedoelt, is er geen sprake van het afslachten van medemensen alsmede duizenden paarden en olifanten in letterlijke zin, maar van innerlijke overwinningen van de yogī, Arjuna.

Elke yogī moet zijn lusten en zijn daarop gerichte gedachten doden. Zijn training is onzelfzuchtigheid, het doen van zijn plicht zonder enige gedachte aan eigen voordeel in materiële dan wel spirituele zin. Dit is karma-yoga. Het afgescheiden ‘ik’ is slechts een illusie. In werkelijkheid bestaat er geen afgescheidenheid en zijn we alle één in de universele Overziel, Brahman. De kennis hiervan, die tot verlossing van illusie leidt, is jñāna-yoga. Tenslotte is volledige overgave aan God, het Enige Werkelijke, de weg die de aspirant het Allerhoogste doet bereiken.

“Als men weet dat het Zelf (ātman de innerlijke god verheven is boven geestelijk onderscheidingsvermogen (buddhi, en het denken dat door een spirituele levenswijze is gezuiverd door buddhi wordt beheerst, moet men die machtige vijand – lust – doden(BhagavadGītā3.43).

Arjuna staat symbolisch voor het menselijke denken, en het denken kan slechts geïsoleerde aspecten van het geheel zien. Kṛṣṇa staat echter voor het hogere Zelf of de Innerlijke God, de Kenner en Genieter van alles, die in werkelijk tot ons denken spreekt als een onhoorbare stem. Arjuna, zegt dat hij er geen verlangen naar heeft de aarde te bezitten of zelfs over de drie werelden (de aarde, de astrale wereld en de hemelwereld). Hij wil niet doden, en wel het minst de zonen van de blinde koning, die materiële wijsheid zonder het oog van geestelijke intuïtie verbeeldt.

Arjuna’s denken blijft argumenteren met zijn innerlijke stem (Kṛṣṇa). Maar Kṛṣṇa die het verloop van het toekomstig lot kent, glimlacht, en hij neemt het woord. Kṛṣṇa ziet dat de argumenten van Arjuna voortkomen uit zijn brein, en die de twijfel reflecteren die iedere aspirant ervaart als hij zich de consequenties realiseert van het opgeven van alle wereldse dingen en ideeën waarmee hij zich heeft verbonden. Arjuna luistert naar Kṛṣṇa, zijn hoger Zelf, die hij als zijn guru beschouwt. De Bhagavan (= Heer) zegt dan: “Terwijl je aan de ene kant geleerde woorden spreekt, blijf je toch treuren om wat geen droefheid waard is. De wijzen treuren noch voor de levenden, noch voor de doden (2:11).

Droefenis is alleen maar onze eigen pijn, en het helpt degene om wie we treuren niet.

De verklaring die Kṛṣṇa geeft is gebaseerd op zijn diepe occulte kennis. Hij zegt: ‘Nooit was er een tijd dat ik niet was, en dat geldt ook voor jou, voor al deze koningen; ook in de toekomst zal geen van ons ooit ophouden te bestaan’ (2:12).

Dit betekent dat de ware Kṛṣṇa in een mens of in welk levens wezen dan ook geen begin heeft gehad en ook geen einde zal hebben. Ons ware wezen is er altijd. Als we dit bewust weten, zijn we bewust onsterfelijk geworden, zelfs al vergaat ons lichaam. Arjuna, die een hoog intelligent en moreel uiterst serieus mens is, is gereed om dit te begrijpen. Dit is het begin van zijn Pad naar Waarheid.

Kṛṣṇa zegt: Zoals de belichaamde ziel in dit lichaam ononderbroken in dit lichaam door de fasen van jeugd tot ouderdom gaat, zo neemt de ziel [het reïncarnerende bewustzijnscentrum dat de hogere aspecten van het denken bevat] een ander lichaam aan bij de dood. Iemand die zich bewust is van zijn Ware Zelf maakt zich niet druk om zo’n verandering (2.13).

… de niet-permanente verschijning van geluk en wanhoop en het weer verdwijnen daarvan na verloop van tijd zijn als het komen en gaan van zomer en winter. Ze worden geproduceerd uit de waarneming van de zintuigen … en men moet leren ze te tolereren zonder erdoor van zijn stuk te raken (2.14).

Mensen die de Waarheid hebben gezien, hebben geconcludeerd dat het niet-bestaande steeds verandert, en dat het werkelijk bestaande nooit ophoudt te bestaan. Ze zijn tot die conclusie gekomen omdat ze de van beide hebben bestudeerd (2.16).

Hier wordt Arjuna aangespoord al hetgeen wat niet werkelijk is te bevechten. Het onwerkelijke doet zich voor, bestaat niet, en kan daarom ook niet worden gedood. We kunnen illusies niet met zwaarden bevechten. We kunnen ze alleen bevechten met kennis. Kennis is, uiteraard, fataal voor illusies.

Dus waarom zou men überhaupt vechten als er niets werkelijks is om tegen te strijden? Arjuna, die onze denkende geest met zijn worstelingen symboliseert, moet wel vechten, want dat behoort tot zijn aard en zijn plicht. Het behoort tot de aard van ieder mens, want het willen bereiken van het Ware en Werkelijke is ons hoogste instinct. De Bhagavad Gītā is een boek over yoga, het pad dat leidt tot bewuste eenwording met ieders innerlijke God.

Na de eerste twee hoofdstukken speelt de uiterlijke oorlog geen rol meer in de Gītā. Ze gaat alleen over filosofie en yoga. De setting van het verhaal middenin het epos is alleen een inleiding op de rest van de discussie tussen Arjuna en Kṛṣṇa.

Veel kenners denken dat de Gītā later is ingepast in het Mahābhārata, want ze steekt filosofisch met kop en schouders uit boven de rest van het verhaal, dat voornamelijk psychologisch van aard is. Het lijkt bovendien onwaarschijnlijk dat als twee legers klaar staan om elkaar aan te vallen de aanvoerder een achttien hoofdstukken lange filosofische discussie begint met zijn guru.

We kunnen de Gītā en het Mahābhārata ook zien tegen een andere, wereldse, maar meer universele achtergrond. De oorlog van het Mahābhārata is, evenals de Rāmāyana, tevens een rapport over de overgang van één fase van een cyclus (yuga) in de natuur en in de mensheidsontwikkeling in een andere. Deze belangrijke overgang (zij het niet de belangrijkste in de geschiedenis van de aarde en de mensheid) vond 5111 jaar geleden plaats tussen Dvāparayuga en Kaliyuga, waarin we ons nu voor een periode van 432.000 jaar bevinden. Iets nieuws wordt aan de wereld gegeven, en zielen van een ander karakter incarneren op aarde. Het oude moet plaatsmaken voor het nieuwe. Oud kan jong niet altijd begrijpen. Maar de evolutie gaat voort. Dit is ook waarom Kṛṣṇa het noodzakelijke en onvermijdelijke lot kende, en waarom de oorlog bijna onvermijdelijk was.

‘Voor de ziel is er nooit geboorte of dood. Noch zal hij, wanneer hij eenmaal is geweest ooit ophouden te bestaan. Hij is ongeboren, eeuwig, altijd bestaand, kent geen dood en is oorspronkelijk. Hij wordt niet gedood als het lichaam wordt gedood’ (2.20).

Verderop, in hoofdstuk 11 van de Gītā, waarin Kṛṣṇa – die alles is – in een visioen zijn transcendente aard toont aan Arjuna, zegt:

‘Ik ben de dood, de machtige vernietiger van de wereld. Ik ben gekomen om al deze mensen te vernietigen. Zelfs zonder jouw actieve deelneming in de oorlog zullen alle strijders die in de beide legers staan opgesteld ophouden te bestaan (11.32).

Sta daarom op en verwerf roem. Overwin je vijanden, en geniet van een welvarend koninkrijk. Ik heb al deze strijders reeds vernietigd. Jij bent slechts een instrument, O Arjuna (11.33).

Dood al die grote strijders die door mij reeds zijn gedood. Wees niet bang. Het is zeker dat je alle vijanden in de strijd zult overwinnen; En daarom: vecht !’ (11.34)

Nadat de oorlog is afgelopen ontmoeten Arjuna en Kṛṣṇa elkaar nogmaals in het ‘paleis van Māyā’ (de wereld van illusies), en ze hebben wederom een diepgaande gedachtewisseling, die bekend staat onder de naam Anugītā.[1] Arjuna zegt dat hij het meeste wat Kṛṣṇa hem heeft onderwezen is vergeten. Kṛṣṇa scheldt hem uit, en zegt dat hij niet meer kan herhalen wat hij toen zei, omdat hij nu niet in die hoge staat van bewustzijn is. Maar Kṛṣṇa vertelt verhalen met een esoterisch karakter die door anderen zijn gesproken, en verklaart aan het eind dat hij het zelf was die al die woorden sprak. Aldus verklaart hij ten overstaan van Arjuna: ‘Geweldloosheid ten opzichte van alle levende wezens is de hoogste dharma. Zij is de hoogste van alle posities en is van een heilig karakter’

We kunnen concluderen dat de zienswijze van de hindoes het best wordt weergeven door te zeggen dat iedereen zijn taak moet doen overeenkomstig zijn of haar karakter; ieder dient zijn uiterste best te doen om de wereld te onderhouden zonder enige egoïstische of persoonlijke motivatie, en behoort de goden te dienen die met hun grote wezenlijke kennis het best weten hoe de wereldcyclus te leiden. Maar de hoogste religie die men kan beoefenen is geweldloosheid.

  1. De Anugitā is ook in het Nederlands verkrijgbaar (Ankh-Hermes, 2004). [<<]