Home » God of goden?

God of goden?

Print Friendly, PDF & Email

***

Alle religies in de wereld zijn het erover eens dat er iets is dat boven het gewone menselijk bevattingsvermogen van gedachten en woor­den uitgaat. Niemand kan in woorden uitdrukken wat God of het goddelijke werkelijk is. Wel kunnen we met onze beste wijsgerige vermogens trach­ten te onderzoeken wat de diepere betekenis van het godsbegrip is bij de verschillende religies van onze wereld.

De filosofische betekenis van wat verstaan wordt onder God, goden en het begrip ‘innerlijke God’ is het onderwerp van dit artikel.

De theosofie verzet zich ten sterkste tegen het idee van één God, die wordt voorgesteld als een persoon, een schepper, die tegelijk oneindig en alomtegenwoordig is en toch afgescheiden is van zijn eigen schepping. In het exoterische christendom en de islam is het idee van een God vervormd tot dat van een soort wezen dat in de hemel woont, die eindeloze liefde en rechtvaardigheid is, maar kennelijk toch een wereld vol van de vreselijkste ellende heeft geschapen. Dit idee lijkt meer op het voortbrengsel van het onvolmaakte menselijke brein gedurende de laatste paar duizend jaar Europese cultuur dan op een bevredigende filosofie die de waarheid omtrent het wezen van de dingen tracht te benaderen.

De meeste theosofen gebruiken niet graag het woord God, juist omdat aan dit begrip door de loop van de tijd zoveel valse oordelen zijn gaan kleven. Het godsbegrip wordt door de oosterse leraren en de westerse theosofen beschouwd in de zin van het Ene Universele Leven dat elk stoffelijk of onstoffelijk atoom of wezen doordringt en er de essentie van is. En derhalve alle eigenschappen ervan bezit. In die zin is ‘God’ niet alleen het verhevene dat boven het stoffelijke staat, maar is dus zelfs ook de materie, en de essentie ervan. Natuurlijk verkondigen we geen materialisme, in de zin dat God uit materie bestaat, maar wel dat materie in al zijn gradaties tot het Ene Universele Leven behoort. Daarom is ‘God’ geen persoon of schepper en niet afgescheiden van wat dan ook. Er is slechts de werkelijke essentie en aard van grenzeloze, eeuwige materie, zijn energie en bewe­ging. Nogmaals, materie niet alleen in de grofstoffelijke zichtbare en voelbare zin, maar ook materie van subtielere aard, astrale materie, intelligentie, ruimte, al de bekleedselen als het ware van die essentie.

De Indiërs duiden deze essentie aan met Parabrahman, of eenvoudig met Dát, in tegenstelling tot Dit, de wereld zoals wij die zien in onze beperkte kijk op de dingen. Die essentie of ‘Dat’ is niet iets wat ons eigen wezen, in elk atoom.

Het begrip ‘God’ kan óók worden vertaald als ‘zuivere geest’, onafhankelijk van de stof, buitenkosmisch als het ware. Geest en stof zijn als het ware de twee polen van één en hetzelfde.

In zekere zin voelt de theosofie zich verwant met het pantheïsme. Het woord pantheïsme betekent: alles is God – in die zin, dat niets wat is en bestaat afgescheiden kan worden gedacht van de Godheid; dat ieder allerkleinste atoom van alles in de hemel en op aarde niet alleen geworteld is in de Godheid, maar een manifestatie is van goddelijke energie; en ieder wezen is de drager van een eigen wil.

In het bovenstaande heb ik op tamelijk abstracte wijze getracht iets weer te geven van het oorspronkelijke godsbegrip, als we die naam er aan wensen te geven. De opvattingen van alle belangrijke religies en filosofische stromingen zijn hierop terug te voeren. Hier volgen enige voorbeelden uit de wereldliteratuur.

Uit de Indiase Bhagavad Gītā, waarin Kṛṣṇa, die ruim 5000 jaar geleden geleefd zou hebben, zijn ethische leringen verkondigt, zijn de volgende veertien verzen (uit hoofdstuk VII). Kṛṣṇa als God, of de goddelijke essentie spreekt hier in de ik-vorm. (De vertaling is van dra. C. Keus):

Hoor thans, o Pārtha, hoegij, u oefenend in meditatie, uw denken steeds op mij gericht, mij als uw toevlucht hebbend, zonder enige twijfel Mij ten volle zult kennen. (1)

Ik zal u deze wijsheid (jñāna) en kennis (vijñāna) volledig openbaren en wanneer ge u die hebt eigen gemaakt, blijft er verder niets teweten over. (2)

Onder duizenden mensen is er ternauwernood één die streeft naar volmaaktheid; en van duizenden strevenden is er ternauwernood één, die Mij in wezen kent. (3)

Aarde, water, vuur, lucht, ether (ākāśa), het denken (manas), de rede (buddhi) en egoïsme (ahaṁkara), dit is de achtvoudige indeling van Mijn natuur. (4)

Dit is mijn lagere natuur. Leer Mijn andere natuur, de hogere, het levenselement en eigenlijke kenner van het lagere kennen, o machtigarmige, waardoor het heelal wordt geschraagd. (5)

Hieruit blijkt dus de opvatting dat al de lagere elementen toch tot de aard van het goddelijke behoren, zij het de lagere aard, die verschilt van de hogere.

Weet dat Dit de moederschoot is van alle schepselen.

Ik (Puruṣa) ben de bron, waaruit het ganse heelal te voorschijn komt en eveneens de plaats waarin het verzinkt. (6)

Er is niets dat hoger is dan Ik, o Dhanañjaya. Dit alles is aan Mij geregen als rijen parelen aan een snoer. (7)

Ik ben de smaak van het water; het stralende in de maan; de mystieke klank AUṀ in al de Veda’s; geluid in ether en het manlijke in de man. (8)

De zuivere, frisse geur der aarde en de gloed in het vuur ben Ik; het leven in alle wezens ben Ik; en de strenge eenvoud in de asceten. (9)

Weet, o Pārtha, dat ik het eeuwige zaad ben van alle wezens. Ik ben de wijsheid (buddhi) van begiftigden, de stralende pracht van de ben Ik.(10)

Ik ben de kracht van de sterken, die vrij zijn van begeerte en hartstocht. In de schepselen ben ik de begeerte, die niet tegen de wet (dharma) indruist, o heer der Bhārata’s((Arjuna, een telg van het geslacht dat afstamt van koning Bharata.))(11)

Weet dat zij die harmonisch (sattvika), actief (rajasa),

traag (tamasa) van aard zijn, allen uit Mij zijn; niet Ik ben in hen, maar zij in Mij.

Allen zijn uit Mij, zegt Kṛṣṇa, niet Ik in hen, maar zij uit Mij. Daar bedoelt hij kennelijk mee, dat al het gemanifesteerde in het goddelijke is, deel is van het Ene Universele Leven, maar het goddelijke is niet één of ander iets dat zich ergens in de mens bevindt afgescheiden van de rest van die mens. Het is echter wel de essentie van alles.

Deze ganse wereld, die misleid wordt door de geaardheid, voortspruitend uit de drie hoedanigheden (guṇa) kent Mij niet als boven deze verheven, als onvergankelijk. (13)

Dit goddelijke illusoire, deze Māyā van Mij, veroorzaakt driehoedanigheden_en (guṇa), is moeilijk te doorbreken; zij die hun toevlucht nemen tot Mij alleen, komen over de begoocheling heen. (14)

Uit een latere Indiase filosofische school, die van de Advaita Vedānta[1], gesticht door Saṅkarāchārya (zie vedānta), in een werkje genaamd Aṣṭavakra Saṁhita[2] spreekt de wijze Aṣṭavakra tot zijn leerling:

Mijn zoon, gij zijt lange tijd verstrikt geweest in de valstrik van de identificatie met uw lichaam. Snijdt deze door met het zwaard van Kennis: Ik ben puur Bewustzijn, intellect’ en wees verblijd.

Waarlijk Gij doordringt dit universum en dit universum heeft waarlijk zijn bestaan in u (letterlijk: ligt in u uitgespreid). Gij zijt van nature het Pure Bewustzijn. (I l4 + 16, vertaling dra. C. Keus,)

En de apostel Paulus, een vroegchristelijke ingewijde verklaart:

In Hem leven wij, bewegen wij en hebben wij ons bestaan.

Beter nog dan “Hem” zouden we misschien “Het” vertaald kunnen hebben, om te voorkomen dat men het goddelijke toch weer als ‘Iemand’, een persoon gaat zien.

De implicatie van deze godsopvatting voor het menselijk denken en doen en de maatschappij is heel groot. Er is niet meer een God van wie men een gunst kan vragen als van een vader. Men kan zijn eigen verantwoordelijkheden niet uitbesteden. Aangezien men zelf ook deel uit maakt van dat Ene Leven en men God kan kennen door de eigen essentie te kennen kan men alleen nog een gunst verwachten van zichzelf, door de oorzaken te leggen voor de daar noodzakelijk uit voortvloeiende gevolgen, volgens de eeuwige wetten of werkingen van de kosmos.

Indien bidden resultaat bewerkstelligt, heeft men door geloof en geconcentreerd voorstellingsvermogen onbewust een beetje magie bedreven en men is er ook verantwoordelijk voor, ten goede of ten kwade.

God is niet iemand of iets ver weg, maar is overal aanwezig, de essentie die de bloem probeert uit te drukken in zijn schoonheid, de intelligentie en de wijsheid in de natuur en de eeuwig bewegende en veranderende materie zelf en alle magische mogelijkheden, en de essentie van iedere individuele mens, het aggregaat van alle indi­viduele druppeltjes van de Kosmische Oceaan.

Daarom, God te kennen betekent uzelf te kennen, uw eigen inner­lijke God, uw wezensessentie. De enige Weg is de Innerlijke Weg.

De uiterlijke vormendiensten en rituelen die men overal op aarde door de tijden heen ziet optreden in de vervalperioden van religies zijn er alleen maar een weerspiegeling van hoe moeilijk het is voor het ploeterend denkvermogen om de oorspronkelijke en wezenlijke dingen te begrijpen en hoog te houden.

Monoimus, een vertegenwoordiger van het gnosticisme, een stroming in het vroege christendom (die kort daarna met succes is onderdrukt om in onze tijd weer volop op te duiden) schrijft:

Geef het zoeken naar God en de schepping en andere dergelijke zaken op. Zoek naar hem door uzelf als uitgangspunt te nemen. Leer wie binnenin u is …. Als u deze zaken nauwkeurig onderzoek zult u hem in uzelf vinden.

De Innerlijke God in de mens, zijn eigen, essentiële goddelijk­heid, is de bron van waaruit alle geniale ingevingen, alle prikkels tot verbetering als een inspirerende stroom het psychologisch apparaat van zijn constitutie binnentreden.

De enige weg naar de Waarheid is de Innerlijke Weg, die me kan gaan door te leven naar de beste ingevingen en prikkels die men van binnenuit voelt. Alle lijden in de individuele mens en in de wereld komt voort uit het negeren van die innerlijke impuls die ons de een­heid van al het bestaande wil onderwijzen. Daarvoor in de plaats volgen we de impulsen van de door ons denkvermogen zelf opgeworpen illusies en jagen die na ten koste van alles. Echter, uiteindelijk bestaat er geen verlosser buiten onszelf.

Eén van de inspirators achter de oprichting van de moderne theosofische beweging schrijft in een brief in 1882, die later gepubliceerd is in het De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett (brief nr. 10):

“De God van de theologen is eenvoudig een denkbeeldige macht, een macht die zich nog nooit heeft geopenbaard. Ons hoofddoel is de mensheid van deze nachtmerrie te verlossen, de mens het goede ter wille van het goede te leren en met zelfvertrouwen door het leven te gaan in plaats van op een theologische kruk te steunen, die ontel­bare eeuwen lang de directe oorzaak was van vrijwel alle menselijke ellende” (einde citaat)

Dat zegt nogal wat: ‘vrijwel alle menselijke ellende’.

Wij als theosofen geloven dan vrijwel alle menselijk lijden zijn oorsprong vindt in verkeerd denken, in onjuiste gedachten. De indi­viduele mens en de mensheid worstelt met behulp van zijn denkver­mogen om zich waarheid eigen te maken. Als dit denkvermogen gevoed wordt met in zichzelf inconsistente ideeën, schijnt onze innerlijke wanhoop die daar het gevolg van is tot uitspattingen te leiden in de vorm van psychische onzekerheid en de lichamelijke weerslag daarvan, innerlijke en uiterlijke oorlog, tot dogma, tot onderdruk­king van ideeën en de dragers daarvan. De waarheidzoekende impuls in de mens is enorm, maar zijn wanhoop ten gevolge van misleiding concurreert daarmee. Theosofen stellen zich onder andere tot taak zichzelf ten dienste te stellen van het geven van impulsen in het denken van de mensheid die opden duur het zelfveroorzaakte lijden zullen verminderen en de mens zullen helpen bij het gaan van zijn innerlijke weg.

Tot nu toe hebben we het uitsluitend gehad over ‘God’ en nog niet over het begrip ‘goden’ die eveneens de titel van dit verhaal sieren. Het is misschien verwarrend dat we in het westen hetzelfde woord – ‘god’ en ‘goden’ – in enkel- en meervoudsvorm voor toch wel verschillende begrippen gebruiken. God als het Ene Universele Leven, zoals de term hier vóór gebruikt is kan natuurlijk niet in meervoud bestaan. Ik vermoed dat dit woordgebruik voortkomt uit onze westerse gewoonte om de Ene God als één enkel hoger wezen te zien, wat wij dus juist met zoveel klem ontkennen.

Het oude geloof in goden dat men wel haast bij alle volkeren aantreft is gegrondvest op een oude en esoterische wijsheid die, verborgen in mythologische vorm, diepzinnige geheimen onderwees betreffende de structuur en werkingen van het ons omringende heelal. Die goden zijn wezens die hoger staan dan de mens; en de mensen zijn als het ware de kinderen van deze goden, dat wil zeggen de mensen ontlenen alles wat in hen is aan deze verheven wezens die in de ruimten leven. En de mensen zijn als kinderen van deze goden zelf in hun diepste essentie goddelijke wezens, voor altijd verbonden met het grenzeloze universum, waarvan ieder mens evenals elk ander wezen, waar ook, een onafscheidelijk deel is. In de verre toekomst, als wij als mensen meer bewust één zijn geworden met onze eigen innerlijke essentie, zullen we ook goden zijn geworden. Velen die nu goden zijn, zijn in lang vervlogen tijden het menselijke stadium

gepasseerd. Er is dus een diepe betekenis verbonden aan het begrip ‘goden’ die de werkingen en intelligentie in de kosmos verklaart en die de mens zich bewust kan maken van zijn diepe en hechte verbondenheid met de hele natuur en hem ook een schier oneindige blik op zijn eigen toekomstige ontwikkeling biedt. Daarentegen heeft het exoterische geloof in goden, dat aanleiding heeft gegeven tot het aanbidden van allerlei afgescheiden aspecten van het geheel en tot allerlei rituelen om van alles gedaan te krijgen van die goden ten eigen bate, geleid tot veel ellende en misleiding. Als we de hogere goden zintuiglijk zouden willen waarnemen zouden ze voor ons arūpa – vormloos – zijn, dat wil zeggen zonder vorm zoals wij dat herkennen. De goden zijn gekenmerkt door zuivere intelligentie, begrip en wil. Wat wij als natuurwetten kennen zijn geen zielloze automatismen van de kosmos, maar de werkingen van de wil van deze hogere wezens. Het polytheïsme – veelgodendom – dat men overal ter wereld aantreft, onder andere in het hindoeïsme, is dus naar onze mening niet geboren uit een primitieve geest, maar met werkelijke bekendheid met dingen die wij in deze moderne tijd vergeten zijn.

De inwijdingsriten en ceremoniën van bijvoorbeeld het oude Griekenland hadden tot doel om het menselijke bewustzijn zijn onafscheidelijke eenheid met de Universele Natuur te doen herkennen en de wezenlijke verwantschap met de goden. Zo had bij de negen dagen durende inwijdingen in de Grote Mysteriën van Eleusis (in de buurt van Athene) de kandidaat de opdracht om Persephone, de dochter van de godin Ceres of Demeter, te ontrukken uit de gevangenschap van Pluto, de Heer van Hades of de onderwereld, die haar had gekidnapt. Persephone stond voor de menselijke ziel; en, zoals Plato het uit­drukte: het lichaam is de grafkist van de ziel. Persephone moest steeds het ene halfjaar in het rijk van Pluto blijven, maar gedurende het andere halfjaar mocht ze de bovenwereld bezoeken. Dit houdt wellicht ook verband met het idee dat de menselijke ziel tijdens de diepe slaap en de dood tijdelijk in spirituele werelden vertoeft,

Om ‘s morgens of bij nieuwe geboorte weer begraven te worden in de beperkingen van het materiële leven. De initiant moest onbeschermd en alleen afdalen in de onderwereld waarbij hij in zijn visioenen een diepe kloof gevuld met helse wezens moest oversteken om bij Pluto te komen. Bij zijn weg omhoog ging hij door ruimten van steeds grotere schoonheid in de richting van de heilige berg Olympus, waar de twaalf hoofd­goden woonden. Het hoogtepunt van de ceremonie was de confrontatie met een standbeeld van de godin Ceres of Demeter, de moeder van Persephone. Ceres draagt twee toortsen, intuïtie en rede, en ze werd beschouwd als de stichtster van de Mysteriën. Velen die deze inwijding ondergaan hebben, beweren de goden werkelijk te hebben ‘gezien’ en te midden van hen te hebben verkeerd.

Tegelijk zijn de goden de essenties van de beginselen die in de mens aanwezig zijn.

Nooit moet men iets in de natuur zien als afgescheiden van al het andere: alles vormt een eenheid en is in diepste wezen één.

Er is geen God buiten ons die onbereikbaar is. Wat men aanduidt met de term ‘God’ is de essentie van al het bestaande, ook van onszelf. En wij kunnen in werkelijkheid goden worden door die essentie te leren kennen.

Kenmerken van het goddelijke zijn ongetwijfeld: zelfvergetelheid, onzelfzuchtigheid, dienstbaarheid aan de wetten van de kosmos.

De beste en veiligste weg van yoga of meditatie is deze principes zoveel als we kannen in praktijk te brengen in ons leven, en een onpeilbaar grootse evolutie ligt vóór ons.

  1. non-dualistische interpretatie van de vedānta, i.e. de occult-filosofische conclusie van de veda’s [<<]
  2. Nityaswarupananda, S.Ashtavakra Samhita dra C. Keus (vert.), 2e dr. – Deventer : Kluwer, 1971. [<<]