Home » Achtergronden van yoga, meditatie en occultisme

Achtergronden van yoga, meditatie en occultisme

Print Friendly, PDF & Email

**

In de laatste eeuwen in het bijzonder in de laatste tientallen jaren is de belangstelling voor de oosterse culturen, en wel in het bijzonder de Indiase en Tibetaanse, sterk toegenomen. De theosofische beweging is daar mede verantwoor­delijk voor, omdat deze getracht heeft de aloude leringen uit het oosten en andere culturen in een voor het westen toegankelijke vorm naar voren te brengen. Haar vooral de laatste jaren is veel van wat uit het oosten komt in een wat romantische sfeer getrokken en is veel van het oorspronkelijke vervormd.

Yoga, meditatie en occultisme zijn nu algemeen bekende termen, maar er bestaat vaak weinig begrip van de feitelijke betekenis ervan.

We willen op zijn minst de opvatting bestrijden dat yoga een soort Indiase gymnastiek is, meditatie in lotus­houding nietsdoen of naar een punt staren, of occultisme het verwerven van allerlei bovennatuurlijke vermogens. We hopen een bijdrage te leveren tot een dieper begrip van wat deze uiterst belangrijke zaken werkelijk betekenen.

Om te beginnen yoga: In één betekenis is het één van de zes darśana’s (letterlijk: zienswijzen) of filosofische scholen in India, en de stichting van de Yoga-school wordt toege­schreven aan de wijze Patañjali[1] Yoga betekent: het komen tot eenheid of eenwording met de goddelijk-geestelijke essentie in iedere mens. De yogapraktijken kunnen er toe leiden dat men zich op hogere niveaus van bewustzijn kan begeven, die leiden tot een helder inzicht in universele waarheden; de hoogste van deze toestanden wordt samādhi genoemd. Yoga wordt onderwezen door – naast vele charlatans – weinige échte leraren. Deze kenmerken zich er in ieder geval door dat zij niet optreden als openbare sprekers of zichzelf door middel van boeken of advertenties bekend maken. En nog minder daardoor dat ze geld vragen. Een ware yogi heeft zoveel liefde voor zijn medemens, dat hij liever in bittere armoede zal leven dan de bijgedachte zal hebben iets voor zichzelf over te houden aan zijn geestelijke boodschap.

De belangrijkste vormen van yoga die in de geschriften worden beschreven zijn hahayoga, bhaktiyoga, karmayoga, rājāyoga en jñānayoga.

De eerste van dit rijtje – haṭhayoga – is de vorm van yoga die hier tegenwoordig algemeen bekend staat als ‘yoga’ en meestal is verworden tot een soort Indiase ochtendgymnastiek. Haṭhayoga is geen eigenlijke vorm van yoga, maar schijnt in India door sommige bevoegde geestelijke leraren gebruikt te zijn om bepaalde oneven­wichtige energietoestanden bij hun leerlingen te corrigeren. Haar strikt individueel en strikt begeleid en niet zozeer als een methode om werkelijke yoga – het tot stand brengen van de verbinding met de innerlijk godheid – te bereiken. Maar tegenwoordig kan men ook overal in India mensen aantreffen die op hun hoofd kunnen staan of andere moeilijke lichaamshoudingen aan kunnen nemen. Ze doen dat. Althans oorspronkelijk vanuit kennis over energiestromen door het lichaam.

Bhaktiyoga is de yoga van devotie, het voortdurend leven in dienaarschap voor de godheid. In de populaire praktijk gaat dit vaak gepaard met veel rituele eerbetuigingen, het zingen van devote verzen enzovoort.

Karmayoga is de yoga van handeling of werken. Het is de yoga van het juiste handelen, dat wil zeggen onzelfzuchtig handelen, geheel ten dienste van de godheid of de mensheid, waarbij men zich niet bekommert om het resultaat, positief of negatief, dat het voor hem- of haarzelf zou kunnen opleveren. Dit gebeurt in het geloof dat er maar één universele geest is en we daarom niet alleen kunnen leven voor onszelf. We leren ons te realiseren dat er niet zoiets bestaat als afgescheidenheid en dat we ons niet kunnen onttrekken aan het collectieve karma van de mensheid. Het is te handelen overeenkomstig zulk geloof.

Jñānayoga en Rājāyoga, respectievelijk de yoga van kennis en de koninklijke yoga, zijn de hogere vormen van yoga. Het zijn de intuïtief-intellectuele en geestelijk yoga, de verbinding met het godde­lijke te bewerkstelligen door studie en doordringend begrip, en vol­ledige controle over het denken, dat steeds op het allerhoogste geestelijke en morele nivo gehouden moet worden. Dit is uiteindelijk veel moeilijker dan lichaamshoudingen of rituelen.

Het beoefenen van yoga zonder de leiding van deskundige leraren – waarvan ik betwijfel of die in het westen en in het openbare leven in het oosten te vinden zijn – kan heel gevaarlijk zijn voor de lichamelijke gezondheid en het mentale evenwicht. Maar de hogere vormen van yoga, zoals rājā- en jñānayoga, die een strikte geestelijke en intellectuele discipline inhouden die gepaard gaat met een vurige liefde voor alle levende wezens, zijn wel veilig. Het is dus van groot belang die niveaus te onderscheiden.

Het is niet het doel van de theosofie en van verstandige oosterlingen om de oosterse methoden voor het westen over te nemen, want het karakter van de westerse cultuur verschilt in diverse opzichten van de oosterse. Maar de essentie van de diepe filosofische leringen van het oosten is universeel en westerlingen kunnen er enorm veel uit putten en van leren.

Hoewel er duizenden yogi’s in India zijn die een grote geeste­lijke groei hebben doorgemaakt en vele occulte vermogens bezitten, zijn de meeste alleen gericht op hun eigen geestelijke verlichting en bekommeren zich weinig om de miljoenen die nog niet zo ver zijn als zij. Hoe verheven zij ook enerzijds mogen zijn, anderzijds schuilt er een subtiel egoïstisch motief achter hun streven. Het zou grote schade berokkenen aan het westen als we een streven naar zelfverlichting voor ieder persoonlijk zouden onderwijzen. Natuurlijk zijn er grote uitzonderingen onder de yogi’s van India. Het zijn echter in het bijzonder de Tibetaanse boeddhisten van die het mededogen centraal stellen en die voortdurend op de achtergrond van al hun denken en handelen over het welzijn van alle levende wezens mediteren. Dit zou ook de basis van de westerse yogabeoefening en het westerse occultisme moeten zijn, een voortdurende meditatie over onzelfzuchtigheid, de bereid­heid tot zelfopoffering voor het stimuleren van de spirituele groei en het verminderen van het lijden van alle levende wezens. De Mahāyānaboeddhisten[2] leggen de eed af dat zij zelf het uiteindelijke nirvāa, de hoogste toestand van geestelijke gelukzaligheid zullen verzaken zolang niet alle levende wezens geleid zijn tot het berei­ken van de uiteindelijke verlichting. Voor hen is het bereiken van nirvana niet het absolute einddoel, maar het doel is het bereiken van een stadium waarin een zo groot mogelijke hulp voor alle levende wezens is.

Yogatechnieken zijn niet zonder gevaar. Vooral het beoefenen van yoga in de vorm van adembeheersingstechnieken (prāṇayāma) en lichaamshoudingen kan verstoring van energetische evenwichten veroorzaken. Het gevaarlijkst is de kuṇḍalinī-yoga, die te maken heeft het beheersen van het zogenaamde slangenvuur en waarvan helaas iets in het westen bekend is geworden. Deze yoga zou alleen beoefend mogen worden door ingewijde en onder begeleiding van verheven meesters staande yogi’s, en die treden zeker niet in het openbaar naar voren, niettegenstaande hun claims. Men zegt dat deze yoga beoe­fening in haar ver doorgevoerde vorm in 98% van de gevallen tot krankzinnigheid of de dood leidt!

Yoga is de beoefening van meditatie die leidt tot geestelijke bevrijding. Het zijn de hoogste spirituele vermogens – dus niet psychische of lichamelijke of wat men gewoonlijk occulte vermogens noemt – die leiden tot heldere en juiste waarneming van de eeuwige waarheden in het zichtbare zowel als in het onzichtbare heelal.

De enige yoga die werkelijk belangrijk en nobel zijn, zijn jñāna en rājā-yoga, omdat deze het volgen van ethische training betekenen: vriendelijkheid in handeling en gedachte, edelmoedigheid, waarheidsgetrouwheid ten allen tijde, de waarheid spreken en alleen de waar­heid, zichzelf krachtig onder controle hebben en beheersing te hebben over elke situatie. Wanneer het motief zuiver en juist is, beoefent men de juiste yoga.

De wet der wetten van het universum is zelfvergetelheid; niet het concentreren van de aandacht op de persoonlijke vrijheid. De eerste wet van het universum is leven voor al het andere; niet de leer dat ieder voor zichzelf moet leven om zelf zijn innerlijke geestelijke vermogens te ontwikkelen. De ware yoga is de yoga van plicht en onzelfzuchtigheid.

Er is wellicht geen beter boek over yoga dan de Indiase Bhagavad Gīalthans in een goede vertaling, op voorwaarde dat men al dat men daaruit leert voortdurend opdraagt aan het welzijn van alle mensen (en andere levende wezens) en niet aan zichzelf. De Bhagavad Gītā zelf zegt hierover:

… verlichte wijzen, wier zonden zijn vereffend, die vrij van zelf­misleiding de meester van hun zinnen en organen zijn, immer gericht op het welzijn van alle wezens, zij worden opgenomen in de Allerhoogste Geest. (Hoofdstuk 5, vers 25)

Meditatie en concentratie, die een onderdeel vormen van de hogere vormen van yoga, zijn op zichzelf, en los van lichaamsoefe­ningen een zeer waardevolle geestelijke en mentale training. Mits op de juiste wijze toegepast wordt helderheid van denken teweeg­gebracht en rust en vrede in het denken zowel als lichamelijk en het denkvermogen wordt er in het geheel door gesterkt. Het gaat om werkelijke meditatie. De lichaamshouding is van ondergeschikt belang.

Meditatie is simpelweg het bestendig één gedachte in de geest houden en die voortdurend kalm en in vrede te overpeinzen, totdat het probleem dat het denken bezig houdt duidelijk wordt begrepen en tot inzicht leidt. Dit alles zonder krampachtigheid, zonder haast en zonder allerlei bijkomende gedachten en theorieën. Het is het in rust en kalmte en vrede door te dringen tot, of één worden met de waarheid, zonder de verstoring van allerlei speculaties.

Meditatie op chakra’s[3] mantra’s[4] en psychische vermogens mogen opvallende en misschien begeerlijke resultaten op korte termijn, veranderingen van de aura en ontwikkeling van astrale organen teweegbrengen, maar leiden de beoefenaar op zijwegen die altijd een disharmonische ontwikkeling ten gevolge hebben. Die zijwegen zijn vol van gevaar. Het object van meditatie moet altijd gebaseerd zijn op zelfvergetelheid, en nooit iets dat men voor zichzelf wil verwer­ven. Meditatie behoort een concentratie van a1le aandacht van het denken te zijn en van de genegenheden van het hart, om éénpuntig van gedachte te worden en om a1tijd omhoog te gaan als het ware, door alle sluiers die door de persoonlijkheid zijn opgeworpen. Werkelijke meditatie kan niet met succes beoefend worden door iemand die echt zelfzuchtig is of iemand die louter uit is op vermogens. Het bereiken van concentratie en meditatie vergt een langdurige oefening, maar iedere poging voegt iets toe aan geestelijke kracht en op den duur wordt meditatie efficiënt en vanzelfsprekend. Meditatie kan men beoefenen op elke plaats en tijd, zittend, li6gend of lonend of wat dan ook, omdat men op de achtergrond tijdens alle bezigheden gericht kan zijn op één of ander spiritueel object. Bij voorbeeld het voelen van universele liefde voor alles kan men overal, of men autorijdt of een computer programmeert of de vaat wast.

Een geschikte vorm van meditatie is: te denken en te handelen zonder gehechtheid aan de resultaten die het voor jezelf oplevert.

Het goede te doen alleen ter wille van het goede, zonder bijgedachten. Dit is moeilijker maar wezenlijker dan welke ‘methode’ dan ook: staren naar een punt, gedachteloos tellen van de ademhaling of luisteren naar een of andere klank.

Door het doen van bovengenoemde oefening is ware meditatie begonnen en zal al gauw permanent worden. Want iemand die zijn eigen gedachten en handelingen gadeslaat met het doel datgene te denken en te doen wat goed is om gedacht en gedaan te worden zal op de duur een concentratie verkrijgen die het vermogen tot werkelijke medi­tatie zal versterken.

Een enigszins ander onderwerp, dat toch wel weer nauw verbonden is met het vorige, is dat van het occultisme. Het woord occult duidt op wat verborgen is. Dat betekent niet dat het occulte niet gekend kan worden. Wat men gewoonlijk als occultisme aanduidt is maar een zeer zwak aftreksel, het droesem zou men kunnen zeggen van het ware occultisme. Astrologie, handlijnkunde, spiritisme, uittredingen, helderziendheid, hypnose, magie, etc. berusten allemaal op feiten in de natuur. In ons tijdperk zijn ze echter verworden tot een soort goochelarij met de kleine beetjes kennis van de werkelijkheid die nog uit overlevering bestaan. Het ware occultisme werd en wordt alleen onderwezen aan een klein aantal aspiranten die moeten voldoen aan zeer hoge morele eisen en bij wie het vuur van het persoonlijk streven volkomen is uitgedoofd.

Astrologie in zijn oorspronkelijke vorm is de studie van het functioneren van het wezen dat wij ons universum noemen en de relatie met alle stoffelijke en onstoffelijke gebieden en van de geboorte en dood van hemellichamen en de evolutie van de kosmos en de mens, stoffelijk, psychisch en spiritueel. Zelfs de geleerdste astrologieboeken uit onze tijd komen zelden verder dan beschrijvingen van persoonlijke karaktereigenschappen en voorstellingen op grond van geboortehoroscopen. Iets dergelijks geldt voor handlijnkunde, kaartleggen en de meeste vormen van helderziendheid. Al deze dingen kunnen hun – zij het beperkte – waarde hebben wanneer ze worden toegepast met een geest van werkelijk te willen helpen, als bijv. medemensen steun en hulp nodig hebben. Het motief betekent alles. Helaas zijn echter motieven heel vaak niet geheel zuiver of zelfs uitgesproken zelfzuchtig. In zulke gevallen kan grote schade berokkend worden, i.h.b. bij het beoefenen van hypnose en hypno­tische suggestie, uittreding en verschillende andere vormen van magie. Bij schade moeten we in sommige gevallen denken aan krankzin­nigheid en misdaad. Er wordt beweerd dat beoefenaars van de occulte kunsten in de meeste gevallen een reeks van levens achter elkaar ernstig worden geremd in hun werkelijke geestelijke groei en vaak zeer veel lijden moeten ondergaan.

Het is misschien van belang om iets te vertellen over de occult-wetenschappelijke achtergrond van hypnose, omdat het gebruik van hypnose, in het bijzonder in de psychologie als hypnotherapie of bij regressie­therapie, maar ook elders (bijvoorbeeld Amerikaanse politie maakt er op sommige plaatsen gebruik van) een bijna explosieve groei doormaakt. hoewel de bedoelingen in de meeste gevallen, zoals therapie, wel goed zijn, steekt er gevaar in de onwetendheid betreffende de werkelijke aard van hypnose. Een peuter met lucifers blijft levensgevaarlijk ook al wil hij alleen maar zijn moeder helpen. Stoffelijk gezien is het proces dat plaatsvindt tijdens hypnose een samentrekking binnen de cellen van het lichaam en de hersenen vanaf de periferie naar het centrum. Dit proces is in feite een verschijnsel van de doodstoestand en is precies het tegenovergestel­de van wat bij mesmerisme of magnetiseren gebeurt. De hypnose werkt, zegt men, storend op de zenuwen die de circulatie in de capillaire bloedvaten regelen.

Magnetisatie of mesmerisatie door een magnetiseur begint binnenin en zet zich voort naar de oppervlakte van de cel, en dit is een levensverschijn­sel, het tegenovergestelde dus van wat bij het hypnotiseren gebeurt. Het gebruik van magnetisme op deze manier is veel minder bezwaarlijk, mits het door bevoegde magnetiseurs gebeurt. In principe kunnen dezelfde effecten teweeg worden gebracht als bij hypnose, zoals een verhoogde herinnering van zaken die schijnbaar verloren waren gegaan, maar de patiënt raakt niet in een onbewuste trance en blijft zijn wilscontrole behouden. Natuurlijk zijn lang niet alle magnetiseurs volkomen op de hoogte van wat de uitwerking kan zijn van hun vermogen. De mag­netiseur draagt met zijn fluïdum iets van zichzelf over aan de patiënt en dit is niet altijd goed, vooral wanneer de magnetiseur niet van erg grote morele en lichamelijke zuiverheid is.

Hypnose (van het Grieks hypnos = slaap) betekent in z’n volle­dige vorm, waarbij de patiënt in een volledige trance is, dat deze geen controle heeft over zichzelf, (deels) ontdaan van de mogelijkheid om z’n eigen wil en beslissingsbevoegdheid over zijn of haar psychische en lichamelijke constitutie uit te oefenen.

De krachtige hypnotiseur kan zijn cliënt allerlei handelingen laten verrichten, die deze anders niet gedaan zou hebben en waar hij of zij later geen herinnering aan heeft. Ook kan de cliënt allerlei dingen opbiechten waarvan hij in zijn normale bewustzijn helemaal geen weet (meer) heeft (vandaar de belangstelling van de politie), zelfs van voor zijn geboorte. Ook kan de hypnotiseur de patiënt eventueel ‘etiketteren’ met een suggestie, die deze later – als hij weer bij is – is vergeten, maar die onder sommige omstandigheden een rol kunnen gaan spelen.

Op die manier kan iemand wellicht van roken of drugs worden afgeholpen, maar men ontneemt hem de mogelijkheid van het oefenen van de eigen wil om zelf tegen het probleem te vechten. Ten positieve ontneemt men hem wel de mogelijkheid om op dat gebied schade te doen aan zichzelf en aan zijn omgeving.

Iets wat de meeste hypnotherapeuten en andere hypnotiseurs niet weten, is dat blijvende beschadiging kan ontreden aan de beschermende aura die de mens doordringt en omgeeft, iets wat ook kan optreden bij mediumschap of zwaar gebruik van sommige drugs. Er wordt als het ware een deur voor allerlei astrale invloeden van buiten geopend die de patiënt zelf niet kan sluiten. Labiliteit, het niet begrijpen hoe men aan sommige gedachten komt en in de ernstigste gevallen bezetenheid, door de psychiaters uitgelegd als krankzinnigheid, kan het gevolg zijn. Verder wordt er een (onbewuste) band gesmeed tussen cliënt en hypnotiseur die wellicht veel dieper gaat dan de patiënt lief zou zijn. Zo’n band kan hem zelfs meerder levens aaneen achtervolgen, wordt in de occulte litteratuur gezegd.

Occultisme, zoals theosofen de term gebruiken betekent de studie van de verborgen dingen van het Zijn, de wetenschap van het leven of van de universele natuur. In één betekenis kan het woord worden gebruikt voor de studie van de ongewone verschijnselen. Dit is de betekenis die het nu gewoonlijk heeft voor mensen die niet denken aan het oneindig veel grotere gebied van de oorzaken dat het werkelijke occultisme onderzoekt. Ongetwijfeld hebben louter stoffelijke en astrale verschijnselen hun plaats in de studie, maar ze liggen op de grens, in de randgebieden – aan de oppervlakte – van het ware occultisme. De studie van het ware occultisme betekent diep door te dringen tot de oorzakelijke mysteriën van het Zijn. Het bestudeert niet alleen de stoffelijke, fysiologische, psychologische en geestelijke delen van het wezen van de mens, maar omvat in gelijke, zo niet in ruimere mate de studies die zich bezighouden met de structuur en de werkingen zowel als de oorsprong en de bestemming van de kosmos.

Men kan streven naar helderziendheid en de natuur vol vinden van kabouters, elfen, sylfen, vuursalamanders en nog veel meer en mensen omringd zien door kleurrijke en beweeglijke aura’s zonder te begrijpen wat de werkelijke diepe ‘schreeuw van het hart’ is van een medemens en de mensheid. Men kan als men de toepasselijke vermogens ontwikkelt maar geen diep begrip heeft van de achtergronden, een mens uiterlijk genezen op grond van helderziendheid en door middel van magnetisatie zonder te begrijpen waarom die mens ziek is en of het wel goed voor hem is om genezen te worden,.

Die vorm van occultisme die wordt beoefend door degenen die onzelfzuchtig willen zijn is wat men in India ātma-vidyā noemt, de kennis van het universele Zelf. Daarbij hoort het ontwikkelen van spirituele vermogens, niet van psychische of zogenaamd occulte. Het is niet de methode van het verkrijgen van snelle resultaten. Geestelijke intuïtie betekent weten hoe op de juiste wijze te handelen en hoe men zijn plicht kan vervullen. Dit zijn voorbeelden van spiri­tuele vermogens. De lagere vormen van occultisme zijn hierin in­gesloten, maar zonder hun nadelige aspecten en zonder de mogelijk­heid ze voor zelfzuchtige doeleinden te gebruiken. “Zoekt eerst het koninkrijk der hemelen en al die dingen zullen u toegeworpen worden.” De ware occultist leeft niet voor zichzelf, maar voor de wereld en is bereid tot elke opoffering voor zijn doel. De mensen die tot de ware occulte scholen worden toegelaten zijn mensen die in het leven zware tests hebben doorstaan, in wie persoonlijke hartstochten en verlangens zijn uitgeblust, die alleen maar hun leven in dienst willen stellen voor de mensheid, zonder bijgedachten, die bereid zijn daarvoor afstand te doen van alles waar zij eventueel aan zijn gehecht. Hoeveel mensen voldoen aan die voorwaarden?

Het is dus verstandig niet te streven naar vermogens en verborgen wijs­heden waar men nog niet aan toe is. Ongeduld is in dat geval een zwaar beboete zonde: het kan anderen zowel als de uitvoerder meer kwaad dan goed doen, ook op langere termijn. Het best wat men kan doen is voortdurend de eigen gedachten te observeren en te zuiveren en niet ontmoedigd te raken door het steeds maar weer falen – elke poging is deel van de training. Probeer steeds maar weer egoïsme, zelfs in zijn subtielste vormen, uit te bannen en u hebt het begin van het Pad al betreden. Wanneer de tijd daar is, wanneer men in staat is om ze te dragen, zullen al die vermogens als vanzelf en automatisch tot ontwikkeling komen en u zal men de wijsheid bezitten om ze op de juiste wijze te gebruiken. Geduld is de sleutel. Aldus leert men begrijpen wat de ware wegen van yoga en meditatie zijn.

  1. Patañjali was de stichter van de Yoga philosophy, en zou ca 150 v Chr. Hebben geleefd. Beroemd zijn zijn Yoga Soetra’s (of Aforismen,). [<<]
  2. De boeddhisten van het Grote Voertuig, het Noordelijke Boeddhisme, waarin de ‘leer van het hart’ wordt bewaard [<<]
  3. letterlijk: wielen; centra van in lussen ronddraaiende vitaal-astrale energieën. [<<]
  4. Hier bedoeld in de zin van herhaalde magische klanken of lettergrepen [<<]