Home » Theosofie – haar doelstellingen, leringen en symbolen

Theosofie – haar doelstellingen, leringen en symbolen

Print Friendly, PDF & Email

 

Gebaseerd op een lezing voor Nederlandse Vrijmetselaars

Theosofie betekent letterlijk ‘goddelijke wijsheid’, de wijsheid die de goden bezitten. In die diepe betekenis is het woord duizenden jaren oud. Het is de eeuwige wijsheidreligie, die de grondslag en bron vormt van alle wezenlijke religieuze en religieusfilosofische systemen die de aarde kent en gekend heeft gedurende de periode van haar geschiedenis dat de mens in het bezit was van een zelfbewust denkvermogen. Zij is de bron van de kennis waaruit de ware occultist, dat wil zeggen de onzelfzuchtige en meedogende mens, die zich de innerlijke, verborgen kennis van de natuur eigen wil maken ter wille van het welzijn van allen, put. Theosofie in haar ware betekenis is dus niet een godsdienst, maar de universele waarheid die in elke godsdienst ligt verborgen. Ook in deze tijd reikt de theosofie haar hand uit naar diegenen, helaas niet velen, die omhoog, of liever haar binnen reiken in verlangen naar waarheid.

Het zou nogal arrogant zijn van de huidige spreker indien hij zou beweren de bezitter van deze kennis te zijn, of zelfs dat deze kennis kant en klaar voor ons in een paar boeken staat geschreven. Men zegt dat nog slechts een tipje van de sluier is opgelicht. Zelfs al zou men alle geopenbaarde theosofische kennis bestuderen, dan nog is dat slechts het allereerste begin. Wil men verder, dan moet de dorst naar kennis zo groot zijn dat men bereid is alles wat tot de wereld van de persoonlijkheid behoort op te geven ter wille van het hoger zelf. In de toekomst zal dat meer en meer de normale gang van zaken worden.

Maar de theosofie is er voor de hele mensheid, dat wil zeggen, voor ieder die er althans enige belangstelling voor heeft. Een van de theosofische schrijvers uit deze tijd, William Quan Judge beschreef theosofie als “die oceaan van kennis, welke de evolutie van bewust bestaande wezens van kust tot kust omvat: onpeilbaar in zijn diepste gedeelten, voldoet hij aan de eisen van het doordringendste verstand, en toch is hij ondiep genoeg bij de kusten, om het begrip van een kind niet te boven te gaan.”

The Theosophical Society is een organisatie die in 1875 in New York uiterlijk werd opgericht door o.a. Mme H.P. Blavatsky. Het doel van deze organisatie was niet om iets nieuws te brengen, maar veeleer om opnieuw te wijzen op het bestaan van de oude Wijsheid-Religie, in een vorm die voor de westerse geest in haar huidige stadium van ontwikkeling bevatbaar is. Het Theosofisch Genootschap is, zo staat het in zijn constitutie, een deel van een universele geestelijke, intellectuele en ethische beweging, die in alle eeuwen werkzaam is geweest. Deze beweging baseert zich op het feit dat geestelijke broederschap een werkelijkheid is en tot het wezen der dingen behoort.

Het accepteren van dit idee van geestelijke broederschap, de eenheid van alle leven en daarmee de onderlinge afhankelijkheid van alle levensvormen in fysieke, psychologische, mentale en spirituele zin, is de enige voorwaarde die aan het theosoof zijn is verbonden. De theosofie kent geen dogma’s, men wordt niet geacht iets te geloven dat men niet eerst zelf met het hele hart en verstand kan accepteren. Het theosofische stelsel is echter een stelsel van leringen die de grondslag vormen voor een totale verklaring van alle verschijnselen van het gemanifesteerde bestaan in het heelal en daarmee in de mens. Hierover straks iets meer. De theosofische organisaties staan open voor aanhangers van alle religies of gedachtestromen, onafhankelijk van ras, maatschappelijke positie, afkomst of geslacht. Er zijngeen uiterlijke graden of privileges, omdat de innerlijke ontwikkeling van ieder mens als het ware in de natuur zelf geschreven staat, onafhankelijk van wat men er uiterlijk aan zou willen toekennen.

Het is interessant terug te gaan naar de eerste school in de westerse traditie die de naam theosofie droeg, namelijk die van Ammonius Saccas in de derde eeuw na Christus. Hij en zijn leerlingen voerden het eclectisch theosofische stelsel in, hoewel er aanwijzingen zijn dat het stelsel onder een andere naam terug gaat tot een Egyptische priester, Pot-Amun[1] genaamd, de aan Amun, god van de wijsheid, toegewijde, die leefde in de Ptolemeïsche tijd. Maar ook in India bestond de theosofie vanouds, en heette daar brahmavidyā of gupta vidyā[2], de kennis omtrent het oorspronkelijke goddelijke of verborgen kennis.

Maar wat betreft het stelsel van Ammonius Saccas[3]: Zijn eclectische theosofie werd onderverdeeld in drie hoofdpunten: 1. Geloof in één absolute, onbegrijpelijke en opperste godheid of oneindige essentie, die de oorsprong is van de hele natuur en van al wat is, zichtbaar en onzichtbaar; 2. Geloof in de eeuwige, onsterfelijke natuur van de mens, omdat zij als uitstraling van de Universele Ziel van dezelfde essentie is; 3. Goddelijk werk of hogere magie.

In het bijzonder deze eerste twee punten van Ammonius komen in belangrijke mate overeen met twee fundamentele proposities van het theosofische stelsel, verwoord in De geheime leer, het theosofische standaardwerk geschreven door Blavatsky en haar leraren. Deze grondstellingen luiden als volgt:

– Een alomtegenwoordig, eeuwig, grenzeloos en onveranderlijk BEGINSEL, waarover elke speculatie onmogelijk is, omdat dit het menselijk begripsvermogen te boven gaat en door menselijke uitdrukkingen of vergelijkingen alleen kan worden verkleind. Het ligt buiten het gebied en het bereik van het denken. Er is één absolute realiteit die voorafgaat aan al het gemanifesteerde voorwaardelijke zijn. Zij is de wortelloze wortel van alles wat was, is of ooit zal zijn.

– De fundamentele gelijkheid van alle zielen met de Universele Overziel, die zelf een aspect is van de Onbekende Wortel; en de verplichte pelgrimstocht voor iedere ziel – een vonk van de eerstgenoemde – door de cyclus van incarnatie (of ‘noodzakelijkheid’) in overeenstemming met de cyclische en karmische wet gedurende het hele tijdperk.

Bovendien stelt De geheime leer de grondstelling die als volgt is verwoord:

– De eeuwigheid van het Heelal in toto als een grenzeloos gebied, periodiek ‘het toneel van talloze Heelallen die zich onophoudelijk manifesteren en weer verdwijnen’ als ‘vonken van de eeuwigheid’. Het zich manifesteren en weer verdwijnen, dat wil zeggen, het zich afwisselend uiten op stoffelijker en terugtrekken in een geestelijker gebied is de grote wet van de cyclussen, waar het idee van reïncarnatie van de mens een voorbeeld van is.

Het derde punt van Ammonius Saccas betreft:

3. ‘Goddelijke werk’ of hogere magie, die niets te maken heeft met de weinig verheven prestaties van mensen die zich met het voortbrengen van occulte verschijnselen, gewone helderziendheid of het oproepen van ‘geesten’ bezighouden. Het ‘goddelijk werk’ vereist een bijna bovenmenselijke zuiverheid, een volkomen opoffering van de persoonlijkheid en het ontwaken van een innerlijk besef van het hoger zelf, dat de goden ertoe dwingt hun goddelijke mysteriën te onthullen aan de aspirant die het recht verworven heeft dat te eisen. Van Ammonius Saccas, wiens leven ‘onberispelijk en rein’ was, wordt gezegd dat hij rechtstreeks door de goden werd onderwezen, middels dromen en visioenen. Dit rechtstreekse onderricht wordt ontvangen door iedere leerling op het pad van mededogen, als hij zich daartoe heeft voorbereid.

Ammonius en zijn leerlingen zochten de gemeenschappelijke essentie in de vele religies die in die tijd in Alexandrië bestonden. Hij besloot alle godsdienstige stelsels met elkaar te verzoenen en één universeel geloof, gebaseerd op de ethiek, te grondvesten, door hun identieke oorsprong aan te tonen. Ze probeerden de heilige verhalen, mythen en mysteriën te verklaren door middel van analogie en werden daarom analogeten genoemd. Precies hetzelfde doet de moderne theosofische student. De analogie is ook de grote sleutel van het Hermetische stelsel: zo boven zo beneden: dezelfde wetten gelden universeel, voor de micro- zowel als de macrokosmos. Ook van de moderne theosofische bewegingen is een van de hoofddoelstellingen: de studie van oude en moderne religies, van wetenschap en wijsbegeerte.

We leven in een bijzondere tijd, waarin het meer dan ooit mogelijk is kennis te nemen van de literatuur en ideeën van oude en moderne culturen verspreid over de hele wereld. In iedere goede boekhandel vindt men, vaak zelfs in het Nederlands, vertalingen van de waardigste teksten die de mensheid heeft voortgebracht: vedische, boeddhistische, Chinese, Egyptische, Griekse, Precolumbiaans Indiaanse, etc. Bovendien bieden de universiteiten gelegenheid de talen waarin deze werken oorspronkelijk geschreven zijn te leren. Helaas zijn er echter nog niet zoveel mensen, ook op de universiteiten, die werkelijk pogen de innerlijke, theosofische kant van deze zaken te begrijpen. Maar dat zal wellicht in de toekomst ten gunste veranderen. In ieder geval biedt onze cultuur als nooit tevoren de mogelijkheid om de ideeën van Ammonius Saccas, de Indische en Egyptische wijzen en de moderne theosofen tot ongekende bloei te brengen, indien we als mensheid erin slagen niet ten onder te gaan in zelfzuchtig streven naar occulte macht en verlagende interpretaties van de nobele waarheid.

In het licht van wat hierboven is aangegeven zijn de doeleinden van Het Theosofisch Genootschap begrijpelijk:

  1. De verspreiding van kennis betreffende de wetten die in het Heelal bestaan.

  2. De verspreiding van kennis betreffende de essentiële eenheid van al het bestaande – een eenheid die aan de gehele Natuur ten grondslag ligt.

  3. De vorming van een actieve broederschap onder de mensen.

  4. De studie van de godsdiensten van vroeger en heden, van wetenschap en wijsbegeerte.

  5. Het onderzoek naar de krachten, die de mens zijn ingeboren.

Ik wilde nu heel in het kort iets vertellen over het stelsel van leringen van het theosofische stelsel. In het Oosten zijn deze bekend onder de Sanskriet term sapta ratnāi, de zeven juwelen van wijsheid[4] Deze te bestuderen is niet alleen maar en aantal stellingen en hun intellectuele uitleg te leren, maar veeleer deze te zien als een samenhangend stelsel, dat een inherent deel moet gaan uitmaken van het denkend bewustzijn en de levenswijze. Het doel daarvan is het geestelijk onderscheidingsvermogen en de geestelijke intuïtie in de mens op te wekken, zodat hij of zij een wijzer en meedogender helper van de mensheid zal worden. U begrijpt dat dit een levensweg is, wellicht zelfs een weg van vele levens, en dat het opsommen van dit stelsel van leringen niet meer is dan een kennismaking.

Welnu, het eerste juweel van wijsheid is de Wet van de Cyclussen. Cyclussen zien we overal om ons heen in de stoffelijke natuur, in ruimte en in tijd. Voorbeelden zijn de bewegingen van de planeten, melkwegstelsel en de bewegingen binnenin het atoom. Er is de cyclus van dag en nacht, waken en slapen, leven en dood en het verschijnen en verdwijnen van heelallen. Deze wet is universeel, dat wil zeggen, er is in de hele natuur geen uitzondering op.

Het tweede is de Wet van Oorzaak en Gevolg, ook bekend onder de oosterse term Karma. Deze geldt op stoffelijk gebied, maar ook op alle andere gebieden: op psychisch, mentaal en spiritueel gebied. Op stoffelijk gebied kan ze beschouwd worden als de grondslag van de natuur- en scheikunde en op louter mentaal gebied vindt ze haar weerslag in logica en wiskunde. Ze is vooral van belang op ethisch gebied en kan dan beschouwd worden als universele rechtvaardigheid. Ieder ondergaat namelijk, in alle facetten van zijn wezen, precies de natuurlijke gevolgen van zijn eigen gedachten en daden. Ieder is dus op ieder moment zijn of haar totale verleden en creëert op ieder moment de eigen toekomst. Dank zij de wet van karma is ieder volledig zelf verantwoordelijk voor wat hij is en wordt. Karma is onlosmakelijk verbonden met vrije wil.

Het derde juweel van wijsheid is de wet omtrent de hiërarchieën. De mens als microkosmos zowel als het zonnestelsel en het heelal zijn meervoudig van samenstelling, waarbij het stoffelijk gebied het meest grove, meest gedifferentieerde is. Maar daarboven zijn er vele gebieden van bestaan, van astrale, die het dichtst bij het stoffelijke staan, tot geestelijke. De gebieden van bestaan kunnen daarom hiërarchisch worden gerangschikt. Ook de menselijke constitutie is hiërarchisch: het stoffelijke is slechts een neerslag van het astrale, het voor gewone ogen onzichtbare gebied, waarin in feite de vormen bestaan waar het stoffelijke zich naar rangschikt. Erdoorheen speelt het vitale, de levenskracht, de magnetische kracht die alles doorstroomt en bijeenhoudt. Dan is er gebied van de begeerten, het gebied van het denken, dat zich naar beneden of naar boven kan richten, naar de dierlijke of naar de goddelijke natuur, de keuze die ieder mens maakt. Daarboven is er buddhi, de geestelijk intuïtie of het geestelijk onderscheidingsvermogen, dat soms het denken verlicht, maar op zichzelf feilloos is. Iemand bij wie dit volledig ontwaakt is, is een boeddha. Het hoogste beginsel van de zeven in de mens is tenslotte ātman, het hoogste Zelf, dat wat men in diepste wezen en in totaliteit werkelijk is. Hiermee wordt niet bedoeld het psychologische zelf of karakter, wat slechts een tijdelijk en veranderlijk werelds voertuig is van de ware ātman en buddhi. Ātman te kennen is het streven van iedere wijze. De poort boven het orakel van Delphi vermeldde: Ken Uzelf. In India heet dit ātmavidyā, Zelfkennis.

Ieder hiërarchisch samenstel is verbonden met hogere en lagere hiërarchische samenstellen, en zo tot in het oneindige, maar dezelfde principes zijn allemaal steeds vertegenwoordigd in ieder samenstel, net zoals ieder octaaf dezelfde tonen bevat. Daardoor zijn alle dingen als het ware in een oneindige kosmische samenklank met elkaar verbonden.

Dan is er de leer omtrent svabhāva , een Sanskriet term, die omschreven kan worden als ‘de eigen fundamentele karakteristiek’. Elke manifestatie is uitdrukking van de unieke karakteristiek van een innerlijk gebied. Zo kan het zaad van een roos alleen een roos voortbrengen en dat van een tulp allen een tulp. Bach bracht de hoogste muzikale perfectie door Bach te zijn, Mozart deed dat door Mozart te zijn, maar de één zou niet de muziek van de ander hebben kunnen maken.

De vijfde leer is die betreffende evolutie. Elk wezen ontwikkelt in zijn pelgrimstocht door de cyclussen van bestaan datgene wat in het diepst van zijn wezen aanwezig is. In de menselijke cyclus wordt in het bijzonder het denkvermogen ontwikkeld. In het dierenrijk is het zelfbewuste denken nog latent. In het rijk dat volgt op het mensenrijk, wat we voor het gemak het godenrijk kunnen noemen, worden die geestelijk intuïtieve aspecten volledig tot ontwikkeling gebracht, die in de mens nog grotendeels latent zijn. De wetten van evolutie gelden voor al het leven, inclusief atomen, planeten, sterren, melkwegstelsels.

De zesde en in het bijzonder de zevende leer kunnen pas helemaal worden begrepen als we als mens verder stadia van evolutie hebben bereikt. De zesde leer is die van de twee paden: Het ene is gericht op het bereiken van de hoogste staat van zijn, nirvāa voor zichzelf; het tweede pad doet dat eveneens, maar in dit geval doet de verheven ingewijde voor lange tijd afstand van de hoogste gelukzaligheid die zijn rechtmatige beloning van de Natuur is, ter wille van hen die nog niet zo ver zijn, de lijdende en ploeterende, maar omhoog strevende mensheid. Het zevende juweel van wijsheid betreft, ātmavidyā, de kennis omtrent het Zelf.

Het bovenstaande is niet meer dan een poging om universele ideeën in een notendop te vangen, en dat is natuurlijk niet mogelijk. Maar degenen die aanvoelen dat achter mijn woorden iets wezenlijks zit, zullen wellicht gemotiveerd worden een stap te zetten op het pad dat naar het hoogste doel leidt.

In een hieropvolgend artikel gepubliceerd kunt u lezen over het zegel van Het Theosofisch Genootschap, waarin de grondideeën vertegenwoordigd zijn.

 

  1. Pot-Amun is een Koptische term die ‘ iemand die is toegewijd aan de god Amun’ betekent. Amun is de Egyptische god van de wijsheid, die uitsluitend ingewijden of hierofanten in dienst had om hem als pritester te dienen. Hier wordt echter een specifiek individu bedoeld, een Egyptische priester uit de tijd van de Ptolemaeën. (Uit: CTG en CTG). [<<]
  2. resp. kennis van Brahman, or geheime (gupta) kennis. [<<]
  3. AmmoniasSaccas was een groot en ethisch hoogstaand filosoof die rond de tweede en derde eeuw van onze jaartelling in Alexandrië leefde. Hij was de stichter van de neo-Platonische school van dee Philateleers of ‘minnaars van de waarheid. Hij was van armoedige afkomst en geboren uit Christelijke ouders, maar was begaafd met een dusdanig prominente, bijnaa goddelijke goedheid dat hij ‘Theodidaktos’ – de door God onderwezene – werd genoemd. Uit Theosophical Glossary [<<]
  4. Zie hierover het artikel Jewels of Wisdom op deze site [<<]