Home » C. Uit de meer academische hoek

C. Uit de meer academische hoek

Print Friendly, PDF & Email

MINOLTA DIGITAL CAMERA(vervolg van B. Theosofisch Commentaar op het Werk van Tsong-kha-pa )

C. Uit de meer academische hoek

Biografie met noten[1])

en Bibliografie

Biografie

Tsong-kha-pa, de stichter van de dGelugs-pa of Gelukpa sekte van het boeddhisme in Tibet, leefde van 1357 tot 1419. Hij werd geboren, werd ingewijd en stierf op 21 november. Zijn geboorte, in de provincie Amdo, Oost-Tibet, werd vergezeld door tekens en wonderen. Op zijn derde verjaardag werd hij toevertrouwd aan een yogi, Dondrub Rinchen, bij wie hij bleef studeren tot hij zestien was, en dat was de eerste van vijfenveertig leraren onder wie hij in zijn leven leerde en werkte. Toen verhuisde hij naar het klooster van Bri-khun in Centraal Tibet en bracht er zeven jaar door om het niet-tantrische boeddhisme (‘mtshan-nid’) te leren kennen. Dit kenmerkt zich door specifieke eigenschappen, die in vijf afdelingen in ritmische verzen van buiten geleerd moeten worden en gereciteerd. De examens hebben plaats in de vorm van debatten. Een van zijn eerste onderwerpen van studie was de geneeskunde waarbij hij acht soorten van therapie moest aanleren. Hij ging van het ene klooster naar het andere om zijn opleiding te voltooien en gaf blijk van een uitzonderlijk geheugen wanneer hij lange epische verhalen leerde en reciteerde. Toen hij negentien was, nam hij deel aan de examens te Gsan-Phu en Bde-ba-can [?? Ed.] en gaf blijk van enorme intellectuele bekwaamheid. Daarna bezocht hij Snar-than en volgde een cursus te Sa-sky (Sakya), legde ‘Prajñapāramitā‘[2] examens af in drie andere kloosters en ging studeren in de Grote School van Bo-don en in de Gnas rnin van Nan-stod. In 1376 kreeg hij de Eerwaarde Red-mda’-pa als leraar (1349-1412) en samen gingen zij jarenlang op reis, om Madhyāmika en boeddhistische logica te leren, wat de basis zouden worden van Tsong-kha-pa’s niet-tantrische geschriften. In het college van Skyor-mo-lun leerde hij de commentaren op Gunaprabha’s Vināyasūtra,[3] in zeventien uit zijn hoofd, wat tot resultaat had dat hij elf maanden ziek was. Daarop besloot hij de raad te volgen van een specialist in mantrams: hij begaf zich naar de andere zijde van de bergrug en reciteerde het onzijdige ‘Ha’, wat hem onmiddellijk genas. In 1378 ontving hij een bericht van zijn moeder, die hem vroeg te komen, maar hij bleef standvastig bij zijn studieprogramma. In die tijd was dat Dharmakirti’s Pramanavārttika,[4] – wat ongeveer een jaar vergde, en vlak daarna ondernam hij de studie van het handboek van de dichtkunst, of ‘Kāvyādarśa‘[5] Toen keerde hij terug naar Sa-skya (Sakya) waar hij deelnam aan de Dka’-chen (grotere moeilijkheids-) examens en zodoende bezocht hij verscheidene andere scholen. Rond die tijd begon hij bekend te worden om zijn uitzonderlijke capaciteiten en vele studenten vroegen hem hen als leerling aan te nemen. Om dit te kunnen doen werd hij een bikṣu (monnik), wat nieuwe examens te Rtses-than vergde, en toen hij drieëntwintig was legde hij de wijdingsbeloften van Rnam-rgyal af in het district Yar-lun. Zo begon hij zijn loopbaan als leraar in niet-tantrische verhandelingen van het Boeddhisme. Hij ging echter ook voort met zijn studies en begon tijdens de twaalf volgende jaren op verscheidene plaatsen in Tibet over vele heilige teksten zijn eigen verhandelingen te schrijven, terwijl hij ook studieklassen leidde leerde hij onder lama Rtogs-ldan de Kālachakra tantra.[6]

Kālachakra sand mandala.

Kālachakra sand mandala

gebaseerd op de commentaren van de Vimalaprabha.[7]

Hij bracht een hele zomer door in de grot O-dkar-brag van het district Yar-lun om er zich te oefenen in de praktijk van de contemplatie door het reciteren van de Chakrasaṁvara: Yoga bij zonsopgang, op de middag, bij zonsondergang en te middernacht; de cyclus van visualisatie van de zes Ne-gu Leringen, en andere disciplines van het tantrastelsel. In 1390 werd hij door lama Dbu-ma-pa onderwezen in de cyclus van Manjughosa (een andere naam van Mañjuśri, [beschouwd als de dhyāni- -DTh] bodhisattva van Wijsheid)[8][9], en vervolgens ging hij studeren onder Chos-kyi-dpal (1316-1397) de uiterst geleerde zoon in tantra[10] [met name Kālachakra – DTh] van Bu-ston Rinpoche (1290-1364),

240px-ButonRinchen

A 14th-century wall painting of
Buton Rinchen (left) and his successor

en verkreeg van hem zijn training in de grote maṇḍala’s[11] zoals de ‘Vajradhātu[12][13] In de herfst van 1392 ging hij met meester Dga-badgon voor een tijd in afzondering en op het einde van dat jaar startte hij met acht volgelingen zijn nieuwe school. Hij had meer gereisd dan enig ander boeddhist, ongeveer dertig jaar gestudeerd, onderwezen in elke tak en door iedere sekte van het Tibetaanse Mahāyāna en bezat dus een algemeen overzicht dat uniek was. Aldus probeerde hij de hoogste leringen van het ware pad te verenigen door uit de vier voornaamste takken van het noordelijk Boeddhisme, de Nyingma, Sakya, Kargyu en Kadam het beste te kiezen. Uit de laatste nam hij de praktische toepassing; uit de Kargyu, de tantrische richtlijnen van de ‘Geheime Vergadering’ en de ‘Zes Yogas van Naropa’ met de ‘Vijf Leringen van het Grote Zegel’ (Mahāmūdra); uit de Sakya leerde hij de intellectuele disciplines en technieken van het debat; uit de Nyingma, de ‘Rode Yamānkata’ en de ‘ḍākinī met het Leeuwenhoofd’ [Senge Dongma.]

Door de jaren kreeg hij meer leerlingen en ontwikkelde zijn innerlijk gestel zo dat het helemaal met de verlichting in harmonie kwam. Nadat hij zijn ‘Lam rin chen mo’ geschreven had, schreef hij het grote compendium van de Tantras, het ‘Snags rim chen mo’, waarin hij de vier klassen van Tantra verklaarde: Kriya, Charyā, Yoga en Anuttarayoga Tantra [De allerhoogste yoga tantra]. Tegen 1408 had hij meer dan duizend volgelingen en gaf hij uiteenzettingen over zijn leer te Grum-bu-lun in beneden-Skyid. In die tijd was de naam van de sekte niet Gelugpa, maar Dge-ldan-pa en stond het klooster bekend als Ganden. Tsong-kha-pa ging verder met schrijven en onderwijzen, maar in zijn zevenenvijftigste jaar werd hij belaagd door een ernstige ziekte. Echter door de yantras[14][15] van Śrī-Vajrabhairava [Yamānkata] te volbrengen ontstond er een zekere straling rond zijn persoon en keerde zijn gezondheid terug. In de laatste jaren van zijn leven schreef hij nog een van zijn grootste werken, het ‘Shas don lta ba’i mig ‘byed’, een commentaar op de ‘Chakrasaṁvara‘ . Hij verliet het aardse leven te Ri bo Dge-ldan, na het doen van een speciale meditatie bekend als “het oplossen van de drie leegten”; in het bijzijn van honderden leerlingen hield hij op te ademen, en langzaam veranderde zijn lichaam van dat van een oude man in dat van een zestienjarige, terwijl regenbogen de kamer vulden. Toen de Chinese invallers in de jaren 1950 het klooster van Ganden binnendrongen, vonden zij daar het jeugdige lichaam van Tsong-kha-pa volmaakt gepreserveerd, warm, en met groeiende nagels en haar.

Bibliografie

(Voorgaande informatie is onder andere ontleend aan de Blavatsky Collected Writings’, deel XIV, blz. 573 en 574. Daarin vinden we ook een gedeeltelijke bibliografie en het lijkt ons nuttig deze hier weer te geven[16]

Engelse vertalingen

Essence of Refined Gold, translated by Glenn H. Mullin, Gabriel, Snow Lion, Ithaca, New Vork, 1982;

Compassion in Tibetan Buddhism edited by Jeffrey Hopkins and Gabriel, Snow Lion, Valois, New Vork, 1980; dit bevat hoofdstukken 1-5 van Tsong-kha-pa’ s Illumination of Thought, an Extensive Explanation of Chandrakirti’s ‘Supplement to the Middle Way or ‘Madhyamakavatara’;

Life and Teachings of Tsong-kha-pa’, geredigeerd door Robert Thurman, Library of Tibetan Works and Archives, Dharamsala, India 1982;

The Door of Liberation, translated under the supervision of Geshe Wangyal, Lotsawa, New York, (1978) 2002;

Tantra in Tibet, edited by Jeffrey Hopkins, London, Allen & Unwin, (1978) 1987;

Calming the Mind and Discerning the Real, from the Lam rim chen mo of Tsong-kha-pa, translated bij Alex Wayman, (Motilal Banarsidas Pvt.Ltd, Delhi 1978) 2004

Uitgebreide bibliografie in de Stanford Encyclopedia of Philosopy

Copyright © 2011 by Gareth Sparham <gsparham@umich.edu> : http://plato.stanford.edu/entries/tsongkhapa/#Bib

*

Einde van GLT-REEKS ‘Gele Boekjes’ V NR. 3

Tsongkhapa gele boekje eindsymbool

 

  1. De oorspronkelijke noten van het ‘Gele boekje’ zijn ontleend aan het Dictionnaire de la Civilisation Indienne van Louis Frédéric, Robert Laffont, Paris, 1987. [<<]
  2. Prajñapāramitā betekent ‘volmaaktheid in geestelijke Wijsheid’ en de zede en hoogste van de zes (soms tien) Volmaaktheden of pāramitā’s. De Prajñapāramitā-literatuur is omvangrijk. (De eerst vijf volmaaktheden zijn barmhartigheid, deugdzaamheid, geduld, energie of volharding en meditatie.) -DTh [<<]
  3. Gunaprabha, waarschijnlijk dezelfde als Gunamati, een boeddhist van de zesde eeuw, geboren te Parvata in Gujarat, die zich naar China begaf, waar men hem beschouwde als een van de achttien Arhats of Lushans. Schrijver van verscheidene teksten in Sanskriet. – Oorspronkelijke noot uit het ‘Gele Boekje’ [<<]
  4. Dharmakirti, een boeddhistische filosoof en logicus van de zevende eeuw, die tot de Yogāchāra school behoorde en een discipel was van Dharmapala. Hij werd geboren in een familie Hindoe brahmanen maar bekeerde zich tot het boeddhisme en schreef verscheidene religieuze werken, zoals het ‘Nyāyabindu’ (druppels van logica), die grote invloed uitoefenden op het denken in het Verre-Oosten. Zijn werken behandelen de criteria van besluitvorming, de rede, het onderzoek van de relaties en de logica van de discussie. – Oorspronkelijke noot uit het ‘Gele Boekje’ [<<]
  5. Kāvyādarśa: een Kāvyā is een poëtische compositie in Sanskriet, die aan strenge regels gehoorzaamt en geschreven is door een dichter, een ‘kavi’. De Kāvyādarśa of “Spiegel van de Poëzie” is een beroemde verhandeling van Dandin (7e eeuw), die de grondslag werd van heel de antieke dichtkunst.’ – Oorspronkelijke noot uit het ‘Gele Boekje’ [<<]
  6. Kālachakra Tantra : ‘Kālachakra’ is ‘het Wiel van de Tijd’. [Volgens de overlevering is de tantra onderwezen door de Boeddha zelf aan de toenmalige koning van Śambhala (-DTh)]. De opperste godheid is Ādi-Buddha, de oer-Buddha die uit zelfkennis is geboren (Svāyambhu) en geïdentificeerd wordt met het ‘Wiel van de Tijd’ waaruit alle schepping zou voortkomen. – (gedeeltelijke) oorspronkelijke noot uit het ‘Gele Boekje’ [<<]
  7. De Vimalaprabha of ‘Onbevlekt Licht’ is een Sanskriet verhandeling van de hand van Naropa, een boeddhist van de 10e en 11e eeuw. Hij was afkomstig uit Bengalen of uit Bihar en reisde naar Kasjmir, waar hij de leraar werd van Atiṣa en Marpa. Hij maakte met hen vele vertalingen en schreef naast de Vimalaprabha ook andere teksten over het Tantrisme. – oorspronkelijke noot uit het ‘Gele Boekje’ [<<]
  8. Mañjuśrī betekent letterlijk schitterende waardigheid of heiligheid. Het is de naam van de dhyāni-bodhisattvas (de bodhisattva’s onder de dhyāni chohans) en van de ‘Stille Wachters’ [Silent Watchers, eigenlijk zij die in stilte toezien’] van debollenvan onze planeetketen. Exoterisch is hij de boeddhistische god van Wijsheid. Zie verder ook DTh Glossary (in het Engels). [<<]
  9. Mañjughosa of Mañjuśrī : een Bodhisattva (‘grosso modo’ een mens die heel dicht bij de status van Buddha komt en dus bij Nirvāṇa, maar die besloten heeft in de aardse atmosfeer te blijven om anderen te helpen), “van wie de schoonheid betoverend is”. Hij symboliseert Wijsheid, Kennis, de Macht van de Geest, de Welsprekendheid, het Geheugen, etc. Volgens de traditie een leerling van Śakyamuni (De wijze van de Śakya clan, de Boeddha zelf). Beschouwd als de grondlegger van Nepal en als beschermheilige van de Mantsjoes (waarvan de naam misschien afgeleid is). Hij wordt bijzonder vereerd in het Mahayana en speelt een grote rol in het esoterisch boeddhisme van Tibet, Nepal en Mongolië. – Oorspronkelijke noot uit het ‘Gele Boekje’ [<<]
  10. Tantra en tantrisme: het woord ‘tantra’ betekent “stramien”, als in een weefsel, en vandaar de afgeleide betekenis, ‘regel’. Tantra is een naam gegeven aan een verzameling van handleidingen over hindoes en boeddhistisch esoterisme, reeds in de 4e eeuw vermeld maar meestal veel later neergeschreven, namelijk van in de 9e tot in de 13e eeuw. Deze teksten handelen over uiteenlopende onderwerpen, zoals filosofie, magie, fysiologie, yoga technieken, meditatie etc., leggen vaak het accent op de cultus van de Shakti (het vrouwelijke of energetische aspect van de “goden”) en verwerpen de traditionele kasten. Het aantal erkende teksten varieert tussen 64 en 500.

    Zij worden ingedeeld in vier categorieën : de Kriyatantra‘ (religieuze ceremoniën), de Charyātantra (voorschriften voor het godsdienstig leven), de ‘Yogatantra’ (magische en mystieke voorschriften), en de ‘Anuttarayogatantra‘ (geheime leringen over de cultus van de Śakti ). Kriya, Charyā, Yoga en Anuttarayoga

    Meer bepaald is ‘Tantra’ de naam gegeven aan een geheel van leringen in het hindoeïsme en het boeddhisme over de Śakticultus, waarin alles mag worden gebruikt, zelfs de dingen die door de orthodoxie worden verboden, op voorwaarde dat het gebruik “geheiligd” wordt door het ritueel, en met het oog op het bereiken van ‘Mokṣa’ (=Nirvāṇa) of bevrijding. Onder zekere voorwaarden (Pañchatattva) wordt de seksuele relatie beschouwd als een symbool voor de intieme vereniging van de toegewijde met de Śakti. De adepten van de Tantra “van de linkerhand” beoefenen deze relaties in groepen, maar de adepten “van de rechterhand” beschouwen ze alleen als symbolisch. Het tantrisme wendt een bijzonder systeem van Yoga aan (Layayoga [= yoga van oplossing]), met oefeningen voorgeschreven door de Kuṇḍalinī-yoga, en door het reciteren van de gepaste mantrams. Deze praktijken schijnen ontstaan te zijn in het Westen van India en zich snel uitgebreid te hebben naar Bengalen en Kasjmir. Zij zijn nog zeer verspreid in Gujarat en Rajasthan. In Tibet en in Mongolië vermengden zij zich met het boeddhisme van het Mahāyāna en gaven mee aanleiding tot het lamaïsme. Waarschijnlijk is dit een van de redenen waarom Tsong-kha-pa het lamaïsme hervormde en de sekte van de Gelug-pa oprichtte, waar de tantrische praktijken zuiver symbolisch worden opgevat. In zijn Survey of Buddhism, zegt de in Engeland geboren Bhikṣu Sangharakshita het volgende (pp.418-419) : “Soms wordt een onderscheid gemaakt tussen de Nyingma-pa’s (gesticht in de 8e eeuw door Padmasambhava, een yogi met fenomenale vermogens die slechts 18 maanden in Tibet verbleef) en de Gelug-pa’s, waarbij men beweert dat de eersten tantristen zijn en de anderen niet. Dit is een grove vergissing. Tsong-kha-pa, de stichter van de Gelugpa-school, beschouwde de tantra als de culminerende fase van het boeddhisme, en sindsdien hebben zijn volgelingen dit ook gedaan. Het ritueel en de meditatie van de Gelug-pa zijn bijna geheel tantrisch.” In zijn verdere bespreking van dit punt legt hij uit dat de Nyingma-pa’s de sacramentele overgave aan wijn en seksuele relaties beschouwen als zeer afdoende middelen om Verlichting te bereiken (met daarbij de onvermijdelijke misbruiken en hun gevolgen), terwijl de Gelug-pa’s staande houden dat deze praktijken symbolisch dienen begrepen te worden, en dat zij niet naar lichamelijke, maar naar yogische praktijken verwijzen. [<<]

  11. Een maṇḍala binnen de Vajrayāna- of Diamanten-voertuigtraditie is een cirkel met daarin een vierkante figuur (zie de tekening bij Deel A) of een imaginaire driedimensionale structuur die men door vier poorten kan binnentreden om inwijding te ondergaan om aldus bewust kennis te maken (door bewuste imaginaire vereniging met de hoofdgodheid van de maṇḍala en de (vijf reeds actief gemanifesteerde) Dhyāni-Buddhas) met de subtiele innerlijke gebieden van denken en subtiel mededogen om aldus zelf de verfijnde goddelijke eigenschappen te verwerven die tot Boddhaschap-voor-het-welzijn-van-alle-levende-wezens kunnen voeren. [<<]
  12. Het ‘Diamanten Rijk’ of bestaansgebied waarin de vijf Dhyāni Buddhas verblijven. [<<]
  13. Vajradhātu: deze maṇḍala symboliseert de wereld (dhātu) van de onvernietigbare geest en de essentie zelf van het Goddelijke. [<<]
  14. Yantra betekent ‘instrument’ met symbolen betreffende processen. – DTh [<<]
  15. Yantra : geometrische diagrammen die symbolisch het goddelijke universum voorstellen, met de godheden en hun mantrams, ook in de drie afmetingen als beeldhouwwerken of als schikking van instrumenten van de cultus. Verwant met de maṇḍalas. – Oorspronkelijke noot uit het ‘Gele Boekje’ [<<]
  16. De oorspronkelijke bibliografie gegeven in dit Gele Boekje’, gebaseerd op een Franse over Tsong-kha-pa is beperkt. We verwijzen daarom daaronder naar de een uitgebreidere bibliografie uit 2011 – DTh [<<]