Home » B. Theosofisch Commentaar op het Werk van Tsong-kha-pa

B. Theosofisch Commentaar op het Werk van Tsong-kha-pa

Print Friendly, PDF & Email

Tsong Kha Pa

(vervolg op A. Tsongkhapa in de Theosofie)

In 3 afleveringen

Deel B. Theosofisch Commentaar op het Werk van Tsong-kha-pa

Opmerking[1]

Volgens genoemde theosofische bronnen werden vanuit Tibet tegenmaatregelen genomen die de mystieke filosofie zouden doen herleven, onder andere door de Rozenkruiserij in het Noorden in de veertiende eeuw en de stichting van de Platonische Academie in Florence in de vijftiende eeuw.

We richten nu onze aandacht weer op een gebeurtenis die het lot van de hele wereld zou veranderen : In 1357 werd in Amdo in oostelijk Tibet – in Tsong-Kha , ‘de uienstreek’, Tsong-kha-pa geboren. Hij, een emanatie van Amitābha Buddha[2]) werd reeds zeer jong, onder de geestelijke naam Lobsang Drakpa, aan een boeddhistisch klooster toevertrouwd om er de leringen van de Wijsheidsreligie te bestuderen. Hij deed dit onder andere door kennis te maken met de geschriften van Asaṅga, (een vroege boeddhistische adept, stichter van de Yogachara school)[3] – de school van het Midden (madhya) – tussen de oude scholen van het Zuiden en die van het Mahayana. Zijn intense meditatie veroorzaakte een diepgaande exaltatie van zijn bewustzijn en men zegt dat hij hierdoor onderricht kreeg van Mañjuśri, de Bodhisattva van Wijsheid, die zelf als een van de directe leerlingen van de Boeddha wordt beschouwd. We geven toe dat de relaties van leraar tot leerling en vice-versa ietwat gecompliceerd lijken en verwijzen voor meer bijzonderheden naar de biografie en de noten in het laatste deel van dit artikel.

Tsong-kha-pa nam twee grote taken op zich: ten eerste het uitzuiveren, bewaren en verspreiden van de Wijsheidsreligie; en ten tweede het Plan van Zeven Eeuwen om de wereld door verstandelijke en geestelijke versterking tot de ontkiemingsbodem te maken van het nog verre zesde onderras, de menselijke ontwikkelingsfase die zal volgen op ons huidige vijfde onderras. Hij zuiverde het boeddhistische denken van het bijgeloof en de machtswellust van de inlandse Bönreligie met haar magische praktijken, die boeddhistische symbolen had overgenomen met als gevolg dat de zuivere boeddhistische leringen zich vermengden met de oude Bönpraktijken en zo de boeddhistische praktijk infiltreerde en besmette. Hij stichtte het Ganden klooster in Lhasa en richtte de orde van de Gelug-pa of ‘Geelkappen’ op. Hij verbood alle vormen van necromantie en liet in 1387 alle boeken over magie verbranden. Zelf produceerde hij een hele bibliotheek met filosofische en praktische werken waarin hij zowel aandacht besteedde aan de zuivere leer van het Mahayana boeddhisme als aan de werkelijk waardevolle tantrische leringen van de Vajrayāna of het Diamanten Voertuig[4], en integreerde die met elkaar. Volgens H.P.B. was daarvan (in haar tijd) (BCW XIV, 441) niet eens het tiende deel bekend is. Tsong-kha-pa’s derde opvolger werd de eerste Dalai-Lama. Tsong-kha-pa zelf had aangeduid wat de tekens zijn waardoor men de aanwezigheid van een van de vijfentwintig bodhisattvas (manuṣa of menselijke buddhas) of van de Hemelse Buddhas (Dhyāni-Buddhas)[5] in een menselijk lichaam kon herkennen (B.C.W. XIV, 427).

Als vertegenwoordiger van de Loge van Mahātmas wist Tsong-kha-pa dat de esoterische leringen de ware zevenvoudige natuur van de mens onthullen, en dat de onderlinge relaties tussen principes, gebieden en wezens de sleutel bevatten tot geweldige geestelijke en fysieke krachten. Daarom schreef hij: “Iedere heilige waarheid die de onwetenden niet in het ware licht kunnen begrijpen, dient drievoudig verborgen te worden zoals een schildpad zijn kop terugtrekt binnen zijn schild, en dient alleen geopenbaard te worden aan hen die de toestand van Anuttara Samyak Sambodhi[6] willen bereiken – het meest meedogende en verlichte hart. Zijn wens was niet dat de waarheid verborgen zou blijven, maar – uit vrees voor de verschrikkelijke karmische gevolgen tijdens een cyclus van geestelijke duisternis – dat de degradatie van de waarheid door misbruik zou worden verhinderd.

In ‘De Drie Principes van het Pad’ leert hij dat dit pad kan worden bewandeld in het drievoudig licht van verzaking, geestelijk ontwaken[7] en juist inzicht. Dit ‘licht van de moed dat in het hart brandt wordt aangestoken wanneer de discipel de gelofte van Tsong-kha-pa aflegt en assimileert:

Moge ik, door de diverse verdiensten die ik heb verzameld,
door onsterfelijke liefde, harmonie in de daad,
geduld, gestadig pogen, meditatie en wijsheid,
komen tot Boeddhaschap voor het heil van alle levende wezens.

In ‘De Korte Samenvatting van de Betekenis van de Stadia op het Pad’ onderwees hij dat onvoorwaardelijke toewijding aan de Leraar de grondslag is van alle morele kracht en actie. “Van alle handelingen is spreken de hoogste; indien dit zo is, dan is het dit vanuit het uitgangspunt dat de wijzen de Boeddha dienen te volgen.”

Wijdt u, met ijver, in uw denken en uw doen,
aan de heilige geestelijke vriend, de leraar op het Pad,
die in onafhankelijke keuze de wortel is van harmonie
en aan uw huidige en toekomstige levens hun verheven waarde schenkt.
Als u dit eenmaal hebt begrepen, blijf dit dan
voor altijd trouw aan hem, zelfs al kost het u uw leven
en wees hem welgevallig door te handelen zoals hij u voorschrijft.

Mensen die naar het spirituele verlangen, handelen in het licht van de raad die zij van hun goeroe krijgen. Dat het denken, het motief en de goeroe in de geestelijke vooruitgang van cruciaal belang zijn, wordt bewezen door de natuurlijke onvermijdelijkheid van karma en zelfs door het vooroordeel en de beperkingen die de onwetendheid van niet-verlichte mensen kenmerken. “Een verlichte levenshouding is grondslag van de beste weg … Als zij dit weten zullen de helden, de ‘zonen’ van Boeddha – dit kostbare juweel van het denkvermogen koesteren als de bron van ware spiritualiteit.” Een verlichte houding komt voort uit zelfstudie en meditatie.

Als u niet probeert de Waarheid van het Lijden – de pijnen van ‘saṁsāra’[8] – onder ogen te zien, zal de begeerte naar bevrijding daarvan niet in u geboren worden.
Als u de oorzaak van het Lijden niet beschouwt –
de stadia waardoor de mens saṁsāra binnengaat,
Zult u niet weten hoe de wortels van saṁsāra uit te roeien.

En Tsong-kha-pa herhaalt hier de fundamentele boodschap van de Boeddha :

Al de zwakheden van de wereld
zijn diep geworteld in onwetendheid.

De geestelijke weg is het totale oplossen van onwetendheid – een taak die nooit door de activiteit van het verstand alleen volbracht kan worden. Het intellectuele begrip is gebonden aan vormen, hoe abstract die ook mogen zijn, en alle vormen zijn afhankelijk van de toestanden van saṁsāra, de wereld van illusie en van voorwaardelijk bestaan.

Wat kunnen we zeggen dat dieper gaat en wonderbaarlijker is dan dit:
alles wat van oorzaken afhangt
is ontbloot van waar bestaan.

De ontwaakte buddhi, dat de wil en de intuïtie van het individu verenigt en door de sluier van māyā heendringt, is de spirituele waarneming van de volheid van de schijnbare leegte.

Het verlichte denken [bodhicitta] te bereiken is de poort tot het mahāyāna pad,
de basis en de ondersteuning van de grote daden van de bodhisattva’s,
een steen der wijzen die alles omzet in wijsheid en verdienste,
een schat van verdienste die glorierijke deugd vergaart.

Alleen buddhi kan tot de kern van het zijn doordringen.

Als we door intuïtie (buddhi) niet kunnen begrijpen wat het Zijn is,
hoe zeer wij ons ook van de wereld afkeren en verlichting verwerven,
zullen we nooit de wortel van saṁsāra kunnen uitroeien. Probeer daarom het relatieve te begrijpen.

Terwijl de chela (discipel) de buddhi in zichzelf moet ontwikkelen, verschaft de goeroe (leraar) kritisch leiding op het pad naar bodhisattvaschap

Wanneer u de mantel van het actieve streven aantrekt dat gestadig en onwankelbaar is,
groeien de uitmuntende kwaliteit van het onderricht en het inzicht als de wassende maan;
alle daden krijgen betekenis
en wat u begint, wordt ook zoals gewenst voltooid.

De Middenweg bestaat noch uit gehechtheid aan saṁsāra noch uit haast om nirvāṇa te bereiken want die verlichting die op het heil van alle wezens is gericht, moet zich bewegen tussen beide.

Hij die inziet dat alle dingen in saṁsāra en nirvāṇa onfeilbaar aaneengeklonken zijn in hun oorzaken en gevolgen en in wie alle vooroordelen verdwenen zijn, heeft zich begeven op het pad dat alle Buddhas inspireert.

Wanneer het doel is bereikt, worden de vermogens en deugden van de hele natuur die van de bodhisattva.

Ethisch gedrag is het water dat de verontreiniging van verkeerde daden wegspoelt.
Het is het maanlicht dat de hete draaikolken van de hartstochten afkoelt.

Even verheven als de Berg Sumeru [of Meru)[9] in het midden van de aarde, verzamelt het alle wezens zonder enige dreiging met geweld.

Dit begrepen hebbende, beschermen de Bodhisattvas dit Ethisch Gedrag als hun eigen ogen.”

Maar de deugd kan evenmin in het zelf opgesloten worden als de wateren van Sumeru kunnen worden tegengehouden. Met zijn volle mededogen gericht op de vooruitgang van de mensheid, schreef Tsong-kha-pa : “Ik draag deze deugd op aan alle wezens opdat zij door een geestelijke leraar gesteund mogen worden.” Wetend dat de wortel van alle wijsheid, zelfkennis het kroost van liefderijke daden is”, legde Tsong-kha-pa de basis voor publieke toegankelijkheid tot het Pad van degenen die hen zijn voorgegaan.

Achter de schermen en alleen gezien door de meest intuïtieve discipelen, werkt de Loge van Mahātma’s ononderbroken aan de verheffing van het manas en de buddhi, het denken en de intuïtie van de mensheid. Als vertegenwoordiger van de Mahātma’s nam Tsong-kha-pa de verantwoordelijkheid op zich voor de start van het ‘Plan van Zeven Eeuwen’. De hervormer die de boeddhistische leringen terugvoerde naar hun oorspronkelijke staat van zuiverheid en de orde van de Gelugpa oprichtte, werd de hoeksteen en de opeenvolging van een wereldwijde renaissance van geestelijke vrijheid en waarheid. Dit is het herstel van de universele broederschap, de Saṅgha (de gemeenschap – van monniken of, in occulte zin, de universele broederschap van Mahātma’s van mededogen), en wat het Westen betreft, de terugkeer van de Mysteriën op een onwankelbare basis. Zijn besluit, de geestelijke stromingen op de wereld tijdens het laatste kwart van elke eeuw grondig te vernieuwen, had een diepgaande invloed op de ontwikkeling van de geschiedenis, hoewel het volledige effect van dit grote werk slechts vanuit het perspectief van de komende eeuwen duidelijk zal worden. Ook vandaag worden de instructies van zijn ‘Lamrin’, het Pad[10] nog evenzeer door de volgelingen van de ‘Gupta Vidyā’ [Geheime esoterische kennis – DTh] bestudeerd. In een wijds visioen van menselijke mogelijkheden werken directe vertegenwoordigers van de Mahātma’s samen met creatieve genieën onder de mensen van wie de diepgewortelde spirituele ontvankelijkheid de Meesters toestaat hun werk in het geheim te helpen en soms te leiden; ook met eenvoudige goede mensen die in alle delen van hun wezen open staan voor het ware, en met de historische gebeurtenissen, die de karmische ruimte verschaffen voor de gezamenlijke werking van vele krachten. Zo wordt alles in een meesterlijke beweging in de hele wereld samen geweven.

Hoewel ‘universele’ verlichting slechts in de verre toekomst van de evoluerende mensheid ligt, zijn de zeven impulsen die in1975 hun hoogtepunt moesten bereiken van cruciaal belang voor de verdere ontwikkeling. De ware geschiedenis van de beweging in de laatste zevenhonderd jaar is slechts bekend aan de Adepten, die met hun doordringende blik door de sluier van uiterlijke gebeurtenissen op het scherm van de tijd kunnen zien. Zij die onder karma het voorrecht hebben verdiend in de grote alchemistische transmutatie van de menselijke geest te mogen meewerken, zullen hier en daar wel glimpen opvangen van de logica die het plan van de Mahātma’s bestuurt.

 

Wordt vervolgd: C. Uit de meer academische hoek en Biografie, Noten en BibliografieLINK MAKEN

 

  1. Dit deel B is de vertaling en bewerking van een artikel verschenen in “Hermes”, Vol.II, januari 1976, uitgegeven door Concord Grove Press, Santa Barbara, California, U.S.A. [<<]
  2. ‘Onmetelijks Schittering’, een van de vijf Dhyāni Buddhas van Tibet, regerende godheid van het Westelijke paradijs of zuivere land (Sukhavatī/ Sukhāvatī). De Panchen or Tashi/Teshu lama – het geestelijke hoofd van het Tibetaanse Boeddhisme – wordt als een tulku/avatāra van Amitābha beschouwd. Zie ook DTh Glossary (in het Engels [<<]
  3. Zie het artikel Esoteric and Buddhism Part-iii: Confusions about Buddhism and Theosophy) en Asaṅga’s Chapter on Ethics en met die van de Madhyamaka school van Nāgārjuna Nāgārjuna leefde vermoedelijk in de tweede en derde eeuw na Christus, was filosoof, alchemist, professor en rector aan de Nālānda Universiteit in Bihar, India. Hij richtte zich vooral op explicatie van het begrip ‘Leegte’ (śunyatā) van onafhankelijk bestaan van dingen en de ego. [<<]
  4. Het Vajrayāna of Diamanten voertuig binnen het Mahāyāna onderwijst een versneld systeem tot boeddhaschap door middel van visualisaties van godheden en stapsgewijze inwijding onder leiding van een gerealiseerde lama. – DTh [<<]
  5. Dhyāni-Buddhas zijn de Boeddha’s van de ‘post-menselijke’ dhyāni chohans – de ‘goden’ die hun ontwikkeling tot mens in een vroegere planeetbelichaming hebben doorgemaakt. Op hun niveau zijn ze analoog aan de manuṣa of menselijk boeddhas onder de mensheid. – DTh [<<]
  6. Allerhoogste volmaakte verlichting. Anuttara betekent ‘onovertroffen’, samyak betekent ‘correct’ en sambodhi means ‘verlichting/ontwaken’. [<<]
  7. bodhichitta – het wijsheidsdenken of –bewustzijn dat het welzijn van alle levende wezens wenst -DTh [<<]
  8. Saṁsāra is de cyclus van geboorte en dood en illusie, ‘onze’ wereld –DTh [<<]
  9. Meru of Sumeru (=Verheven Meru) is een mystieke berg, in het midden van de Aarde, in het onvergankelijke witte land, mystiek gezien de Noordpool, met drie terrassen waar de goden van verschillende klassen wonen en waar bovenop het zuiverste heiligdom is, die wortelt in de aarde en zich miljoenen kilometers uitstrekt tot de Poolster. Volgens de Hindoes is de berg het smalst aan de voet, zowel aan de bovenkant (de goede) van de aarde als aan de onderkant (de slechte kant), en verbreedt zich naarmate men verder van de oppervlakte komt. Vele volkeren vertellen in hun mythen en leringen over zo’n berg. Hij is in de Theosofie het symbool van hogere inwijding en verbonden met de mystieke aardse locatie genaamd Śambhala [<<]
  10. Lam rin chen mo – Stadia op het Pad naar Verlichting, verkrijgbaar in druk in Engelse vertaling door Wisdom Publication, zie ook het artikel Exoteric and Esoteric Buddhism by Tsong-kha-pa op deze website. [<<]