Home » A. Tsong-kha-pa in de Theosofie

A. Tsong-kha-pa in de Theosofie

Print Friendly, PDF & Email

TSONG-KHA-PA

MINOLTA DIGITAL CAMERA

GLT-REEKS V NR. 3 MAART 1992

Algemene inleiding Gele Boekjes

De GLT-reeks is de reeks van ‘gele boekjes’, vijftig in totaal, die zijn uitgeven door de Geünieerde Loge van Theosofen in Antwerpen in een tijd dat het nog niet algemeen gebruikelijk was teksten digitaal uit te brengen. Ieder boekje behandelt de levensgeschiedenis en leer van een van de grote occultisten, voornamelijk uit de Griekse en Europese traditie en enkele uit de Arabische en andere tradities, die blijk gaven van een diepere kennis en filosofie dan die welke aan het algemene publiek bekend waren en die een belangrijke invloed op het menselijk denken in die periode teweegbrachten, zij het veelal ‘achter de schermen’. Daily Theosophy heeft besloten om, voor zover haar tijd en menskracht dat mogelijk maken, deze reeks online te publiceren, uiteraard met toestemming van bovengenoemde Loge. In deze tijd, begin 21ste eeuw is er wereldwijd, en met name in Nederland, een toenemende belangstelling, ook op academisch niveau, voor de pre-Blavatskyaanse theosofie. Met deze online publicatie proberen we een bredere bekendheid te geven aan deze occulte onderstroom van de cultuur. Door middel van links naar theosofische glossaria en online encyclopedieën willen we belangstellenden de gelegenheid bieden zelf verder studies te ondernemen. Redactie DTh.

Δ

 

TSONG-KHA-PA

Created by DPE, Copyright IRIS 2009

In 3 afleveringen

Deel A. Tsong-kha-pa in de Theosofie

 

Tsong-kha-pa, de grote Tibetaanse hervormer van het boeddhisme uit de veertiende eeuw, neemt voor theosofen een bijzonder belangrijke plaats in en bij goed geïnformeerde theosofen roept het horen van zijn naam dankbaarheid en respect. Volgens H.P. Blavatsky (bijvoorbeeld in haar Collected Writings (BCW) deel XIV, blz. 431) was hij het die de oorspronkelijke impuls gaf tot de latere theosofische beweging in Europa : “Een van de initiatieven van Tsong-kha-pa geeft aan rahats (arhat)[1] de opdracht om [zeven eeuwen achtereenvolgens] in elke eeuw vanaf een bepaald tijdstip van de eeuwcyclus een poging te ondernemen om de wereld, ook die van de ‘Witte Barbaren’ te verlichten.

Tot nu toe heeft geen van deze pogingen veel succes gehad. De ene mislukking volgde op de andere. Moeten wij dit verklaren in het licht van een bepaalde profetie? Er wordt gezegd dat het weinig nut zal hebben te proberen de onjuiste opvattingen van de ‘Pe-ling’ (Europeanen) te weerleggen omdat zij toch naar niemand luisteren – tot Panchen Rinpoche[2] (het Grote Juweel van Wijsheid) erin toestemt in hun land te incarneren en te verschijnen als de [jina of] spirituele overwinnaar, die de dwalingen en onwetendheid van eeuwen teniet zal doen.”

Uit BCW (BCW = Blavatsky Collected Writings, uitgegeven door de Theosophical Publishing House, Wheaton, Illinois en online op:

http://www.katinkahesselink.net/blavatsky/articles/v4/ VI, 105 blijkt dat deze voorspelling eveneens van Tsong-kha-pa zelf afkomstig is.

Op de voorlaatste pagina van De sleutel tot de theosofie geeft H.P.B. een positiever beeld van de beweging: “… ik moet u zeggen dat in het laatste kwart van iedere honderd jaar door die ‘Meesters’ over wie ik u heb gesproken een poging wordt gedaan om de geestelijke vooruitgang van de mensheid op een duidelijke en specifieke wijze te stimuleren. Tegen het einde van iedere eeuw zult u steeds een uitstroming of opleving zien plaatsvinden van geestelijke krachten – of van mystiek, zo u wilt. Een of meer figuren verschijnen in de wereld als hun tussenpersoon of boodschapper en er wordt een zekere hoeveelheid occulte kennis en leringen gegeven. Als u dat wilt, kunt u die bewegingen van eeuw tot eeuw naspeuren, voor zover daar geschiedkundige bijzonderheden over zijn opgetekend.”[3]

Door middel van de reeks artikelen in deze serie getiteld GLT-reeks[4] (in de wandeling bekend als ‘de gele boekjes’ hopen we aan te tonen dat er in vrijwel alle tijden en landen inderdaad een dergelijke verlichtingsbeweging bestaat, maar we laten het aan de lezer over om vast te stellen of er in die beweging steeds terugkerende elementen of een continuïteit en vooruitgang herkenbaar zijn in het ontdekken, ontvouwen en uitbouwen van wijsgerige, wetenschappelijke en mystieke waarden die door die bewegingen werden gestimuleerd. Zo’n beweging zou misschien ook spontaan kunnen verlopen, alleen op grond van voortzetting, gemeenschappelijke ervaringen en inzichten. De specifieke stelling van de theosofen is dat zij bovendien geleid en gecoördineerd wordt door de ‘Witte Loge’ of Broederschap van Meesters van Wijsheid en Mededogen, die zijn ingewijden en adepten uitzendt als zijn vertegenwoordigers, en dat dit in Europa systematisch heeft plaatsgevonden vanaf de veertiende eeuw. Dan verschijnt reeds de welhaast mythische Christian Rosenkreutz op het toneel en op hem volgt de stoet van mystici, geleerden, filosofen, politici, heiligen, helden en occultisten, die waren verbonden met het Rozenkruis, het Hermetisme[5] de Vrijmetselarij[6] en de Theosofie. Vele van hen we hen in deze reeks belichten, zodat we de kans zullen krijgen de beweging “van eeuw tot eeuw na te speuren”.

Als we ons nu afvragen hoe het mogelijk kon zijn dat Tsong-khapa, een monnik die meer dan dertig jaar en onder niet minder dan vijfenveertig professoren moest studeren om (terug?) in het bezit te komen van de kennis die hij nodig had, als het ware bevelen kon geven aan de leden van de “Witte Loge”, dan is het antwoord verbluffend simpel : hij was een reïncarnatie van de Boeddha. De Boeddha (Sang-gyas in het Tibetaans) wordt in de theosofie genoemd als de verst gevorderde mens op deze planeet. Hij is immers een “zesde-ronder” en wel de enige mens tot dan toe die een ontwikkeling van geestelijke intuïtie (buddhi) had bereikt die alle mensen in de toekomst zullen beriken. Ieder wordt vroeger of later in de toekomst een boeddha[7] De Mahātmas van de “Witte Loge” en hun hoofd, de Mahā-Chohan (de ‘Grote Heer’) de voor wie de hoofdlijnen van de toekomst een open boek zijn) zijn volgelingen en dienaren van Boeddha. Deze had zich reeds vroeger gereïncarneerd[8]

Voorafgaand aan Tsong-kha-pa had ‘Boeddha’ zich al verscheidene malen onder de mensen gemanifesteerd: eerst als Śaṅkarāchārya, de Hindoe wijze die de nondualistische (advaita) school van interpretatie stichtte ( volgens theosofische literatuur gestorven in 510 voor Christus, (Five Years of Theosophy, p.195), maar volgens academische en sommige [maar niet alle – DTh] kloosterlijke opvattingen leefde in de 8e-9e eeuw (780 CE – 820 CE) en misschien als Apollonius van Tyana (BCW XIV, 405) die rond het begin van onze jaartelling leefde Tsong-kha-pa was echter zijn eerste ‘reïncarnatie’ in Tibet (BCW. XIV, 427).

Het is niet altijd overduidelijk wat men hier onder ‘reïncarnatie’ moet verstaan. Een sterk ontwikkeld geestelijk wezen kan een deel van zijn invloed of uitstraling op een bepaalde persoonlijkheid richten, en ook dan wordt er soms over reïncarnatie gesproken, maar eigenlijk gaat het dan eerder om een ‘overstraling’: de wijsheid van bijvoorbeeld de Boeddha wordt dan gedeeltelijk belichaamd of “geïncarneerd”. In het geval van Tsong-kha-pa is H.P.B. echter precies. Zij schreef in The Theosophist van maart 1882, in het artikel “Reincarnations in Tibet”, dat volgens optekeningen in de voornaamste Gon-pa of lamaklooster Tashi-lumpo[9] Sang-gyas [Boeddha] de gebieden van het ‘Paradijs in het Westen’ (Tuṣita, een geestelijk gebied vergelijkbaar met Devachan), verlaten had om zich te incarneren in Tsong-kha-pa, vanwege de grote ontaarding waartoe zijn geheime leringen waren vervallen. Met Tsong-kha-pa begint dan het regelmatige systeem van incarnaties van Sang-gyas of de Boeddha in Tibet. Praktisch betekent dit dat de hoofdfiguren van de sekte van de Geelkappen of Geluk-pa de Dalai Lamas, Teshu of Tashi Lamas en misschien anderen, tenminste tijdelijk overstraald worden door wijsheid van de Boeddha. Dit moet dus ook nu nog zo zijn met de huidige, veertiende, Dalai Lama, Tenzin Gyatso.

De aanleiding voor de activiteit van Tsong-kha-pa in 1357 in Tibet was dus de ontaarding van het boeddhisme onder de verscheidene sekten van lamas, die de ‘Goede Leer’, de dharma van de Boeddha, opnieuw hadden vermengd met geloofsvormen en (magische) praktijken van de oude inheemse preboeddhistische Bön religie van Tibet. Waarom in Tibet en waarom precies in de veertiende eeuw? Het is heel moeilijk die vragen met zelfs maar een zweem van zekerheid te beantwoorden, omdat er zoveel factoren zijn waarmee men rekening moet houden: de verspreiding van het boeddhisme buiten India in verschillende streken en landen met verschillende achtergronden, de verdrijving van boeddhistische leraren uit India door het heersende brahmanisme die daar in de twaalfde eeuw efficiënt werd voltooid, het onderscheid tussen exoterische en esoterische scholen, en meer specifiek tussen de opvattingen van de zuidelijke en noordelijke scholen, resp. Hinayāna[10] en Mahāyāna[11], psychologische en politieke elementen, de toestand in de omringend wereld als geheel zoals ze op een bepaald ogenblik is of later dreigt te worden en die steeds de aandacht van de ‘Witte Loge’ hebben, etc., etc. In de noten bij de biografische en bibliografische gegevens over Tsong-kha-pa vindt de lezer enkele aanduidingen over de toestand in het Tibet van de veertiende eeuw. In dat land was sinds onheuglijke tijden het Aziatische centrum van de ‘Witte Loge’ gevestigd en reeds lang voor het verschijnen van de Boeddha in India in de zesde eeuw voor Christus waren van daaruit pogingen ondernomen om de geestelijke beschaving ook in het Westen te verspreiden, onder andere met Orpheus, de grondlegger van de eerste Griekse mysteriën, veel later gevolgd door Pythagoras [ca. 572 – ca. 500 voor Christus] en Plato [ca. 427 – 347 voor Christus] Een ononderbroken keten van Leraren reikt van toen tot in onze tijd. Hun activiteiten liggen soms heel ver buiten de grenzen van de academische geschiedschrijving en archeologie. Hun werk verloopt volgens cyclussen van op en neergaande impulsen, van middelpuntzoekende en middelpuntvliedende krachten; het past zich aan en maakt gebruik van de karmische ontwikkeling van de mensheid. Hun ideeën blijven onuitwisbaar ingeprent op de menselijke gevoeligheid voor het heilige en het mystieke. Sommige van hun pogingen werken eeuwenlang door; andere kunnen in één enkel leven van volgeling of discipel geheel worden herbeleefd.

De traditie van Pythagoras en Plato bouwde op de edele idee dat de godheid onuitsprekelijk is en de mensheid onverdeelbaar, maar zij werd uitgehold door de opkomst van een materialistische en mechanistische wetenschap die een utilitaristische en zelfzuchtige moraal met zich meebracht. Mensen met bekrompen geest en op macht beluste motieven eigenden zich de boodschap van de Nazareense Leraar Jezus toe en probeerden in zijn naam de wetten van de natuur te ontkennen en aan de godheid menselijke vorm te geven. Hoewel echter de Kerk even zeer in macht groeide als in bijgeloof, bleven meer verheven leringen de kop opsteken. De Gnostieke geschriften bewaarden een hoogstaande ethica en kosmogonie; zij wezen op morele causaliteit en reïncarnatie als de sleutels tot ware kennis, de ‘gnosis’, en verklaarden dat praktische alwetendheid mogelijk was door zelfkennis en door transcendentie van het persoonlijke zelf. Opgejaagd en vervolgd zochten zij hun toevlucht buiten de gebieden rond de Middellandse Zee, en hun leringen kwamen door Armenië en Perzië naar Egypte, Griekenland en Byzantium. Via de volkeren van de Balkan vormden hun leringen de grondslag voor de opvattingen van de Bogomielen en Paulicianen, Katharen en Albigensen. Paus Innocentius III had eerder besloten dat hij de absolute macht moest veroveren en organiseerde in Europa de kruistocht die hij voor zijn politiek nodig achtte. Terwijl hij enerzijds aan de brave en goedgelovige Sint Franciscus toestond zijn orde op te richten, stelde hij anderzijds de gevreesde Inquisitie in, die het menselijk denken aan de pauselijke autoriteit moest onderwerpen, onder andere door het Kathaarse geloof in reïncarnatie en eigen verantwoordelijkheid uit te roeien.

Het verhaal doet de ronde dat, na de verovering van Béziers, een Kathaars centrum in de Languedoc Zuid-Frankrijk in 1209, Abt Arnold de vreselijke woorden uitsprak: “Sla ze allemaal dood; God zal de zijnen wel herkennen!” De historische accuratesse van deze uitspraak wordt betwijfeld, maar in ieder geval geeft deze duidelijk de geest van de onderneming weer. Een nacht van duisternis verspreidde zich over Europa.

Vervolg: Deel B. Theosofisch Commentaar op het Werk van Tsong-kha-pa

Wordt vervolgd: Deel C. Uit de meer academische hoek en Biografie, Noten en Bibliografie

  1. Arhat of Rahat betekent letterlijk ‘doder van de dieven’ (karma, de lagere ego), iemand die volmaaktheid of nirvāṇa heeft bereikt en niet meer op nieuw in onze wereld geboren hoeft te worden – DTh [<<]
  2. Met Panchen Rinpoche wordt bedoeld de Panchen of Tashi Lama, tot de Chinese bezetting hoofd van Tashi Lunpo klooster in Shigatse in Tibet) die samen met de Dalai Lama het hoofd is van de Gelukpa sectie of ‘geelkappen’, waarbij de Panchen lama het spirituele (esoterische) en de Dalai lama het wereldlijke aspect vertegenwoordigt. [<<]
  3. Naar de uitgave van de Theosophical University Press, Den Haag, 1985, p.285; ook online beschikbaar. [<<]
  4. GLT staat voor de Geünieerde Loge van Theosofen, in dit geval in het bijzonder de Loge van Antwerpen [<<]
  5. De stroming die voorbouwt op de geschriften van de grote Grieks-Egyptische ingewijde Hermes Trismegistos, die na introductie in vertaling door Marcilio Ficino (1433 – 1499, rondom Florence) het Europese denken sterk hebben beïnvloed. -DTh [<<]
  6. De Vrijmetselarij noemt zichzelf een ‘schitterend systeem van moraliteit, versluierd in allegorieën en geïllustreerd door middel van metselaars- en steenbouwerssymbolen, waarvan de (niet vast gedefinieerde) morele of geestelijke betekenis wordt onderwezen en onderzocht door middel van rituaal. – naar Wikipedia (Engels – DTh [<<]
  7. De termen vierde- en zesde-ronder kunnen alleen worden begrepen als men de theosofische leer ontrent ‘Ronden en Rassen’ heeft bestudeerd. [<<]
  8. Dit is een opmerking van H.P. Blavatsky in haar tijd, die in het kader van de meer uitgebreide kennis van zaken die we nu bezitten verwarring kan veroorzaken. De boeddha zelf incarneert niet meer, omdat zijn hoogste aspect toen hij op aarde nirvāṇa bereikte, een dharmakāya werd, i.e. ‘het dharma-kleed aantrok’ en geen rechtstreekse bemoeienis met de mensheid kon hebben. Hij liet echter zijn saṁbhogakāya en nirmāṇakāya achter en kon aldus als bodhisattva leringen overdragen aan specifieke leerlingen. De saṁbhogakāya en nirmāṇakāya kunnen als tulku (Tibetaans; in het Sanskriet: avatāra) optreden, en als zodanig kunnen Tsong-kha-pa en enkele anderen als ‘incarnatie’ van de Boeddha worden beschouwd. [<<]
  9. in Shigatse, in het Zuiden van Tibet, waar traditioneel de Tashi (Teshu) of Panchen Lama (incarnatie van Mañjuśri, de bodhisattva van Wijsheid), het geestelijke hoofd van de Gelugpa, het hoofd van is en waarvan de Dalai Lama (incarnatie van Avalokiteśvara, de godheid van Mededogen) het wereldlijk hoofd is -DTh [<<]
  10. Het ‘kleine voertuig’, de school die leidt tot individueel nirvāṇa [<<]
  11. Het ‘grote voertuig’, dat propageert afstand te doen van nirvāṇa wanneer de aspirant dit kan binnengaan, met het doel om actief het welzijn van alle levende wezens te blijven dienen totdat het pad naar verlichting aan ieder is onderwezen en is begrepen. Dat wil zeggen, totdat iedereen het ultieme inzicht of nirvāṇa heeft bereikt. [<<]