Home » De gemeenschappelijke oorsprong van de wereldreligies

De gemeenschappelijke oorsprong van de wereldreligies

Print Friendly, PDF & Email

De gemeenschappelijke oorsprong van de wereldreligies

Aan alle grote religies en filosofische systemen ligt, volgens de overlevering, het werk en de inspiratie van grote leraren, profeten, zieners, verlichte wijzen etc. ten grondslag. De Hindoes verwijzen naar Kṛṣṇa[1]als de achtste avatara of goddelijke incarnatie in een reeks van tien die moeten verschijnen in deze tijdcyclus; en naar de Ṛsis die steeds weer aan het begin van grote cyclussen van ontwikkeling van de aarde en de mensheid verschijnen om de veda’s, de overleveringen die de goddelijke kennis bevatten, aan de mensen te brengen. De boeddhisten kennen een lange reeks van boeddha’s, die komen aan het begin en in het midden van de grote mensenrassen. Ook de Jains in India kennen hun ‘boeddha’s’, genaamd tīrthaṅkaras[2] De Hopi-Indianen hebben hun Pahána[3] de Azteken hadden hun Quetzalcoatl[4] de Maya’s Kukulcán, wat beide ‘gevederde slang’, ofwel ‘grote wijze bekleed met de luister van de zon’ betekent. Mozes, Jezus, Apollonius van Tyana, Mohammed, Zarathoestra, Pythagoras en Plato zijn nog maar een paar andere bekende voorbeelden. Het idee wat daarachter zit – en dat wijkt af van de in het Westen meestal gehuldigde opvatting – is dat religies en geestelijke filosofieën niet de uitvindingen of bedenksels of fantasieën van mensen zijn om een verklaring te zoeken voor de problemen van het leven, maar dat er inderdaad goden zijn of hogere wezens, boeddha’s en bodhisattva’s, die de menselijke ontwikkeling al in een zeer ver of minder ver verleden achter zich hebben gelaten en die zich inderdaad de moeite getroosten om de mensheid een ondersteuning van haar cultuur en een behulpzame stimulans in haar streven naar geestelijke, innerlijke vooruitgang te geven. Samen worden ze wel aangeduid als de Hiërarchie van Mededogen omdat onnoemelijk mededogen de stimulerende kracht is die hen ertoe aanzet deze taken te vervullen.

Hoe verschillend ook in vorm en uiterlijk, hoe schijnbaar verschillend ook in hun symboliek, allemaal houden de religies en geestelijke filosofische systemen zich bezig met fundamentele vragen die in het menselijk hart zijn in gegrift. Die vragen te begrijpen is kennelijk de leidraad en het doel van het menselijke bestaan. Natuurlijk heeft de waarheid die de goden of boeddha’s kennen en de mensen zich langzaam eigen kunnen maken vele aspecten en vele wijzen van benaderen. En in verschillende tijden voor verschillende volken wordt iets van die waarheid die dán goed kan doen naar voren gebracht. Maar waarheid zelf is natuurlijke Eén. En geen enkel aspect van waarheid kan los van die Ene Waarheid bestaan, of los van andere aspecten. Godsdienststrijd is daarom sowieso nooit een dienst aan de goden.

Het is niet alleen zo dat er zo nu en dan van die wijzen optreden, maar er zijn voortdurend wezens die in de weer zijn voor de mensheid, zegt men, zij het meestal op de achtergrond, maar soms als geïncarneerde heiligen. Gautama Boeddha bijvoorbeeld, verliet zo’n 2500 jaar geleden op tachtigjarige leeftijd zijn lichaam, maar dat wil niet zeggen dat de taak van een onsterfelijke daarmee is afgelopen. Vele malen incarneerde een deel of aspect van ‘hem’ om zich tussen de mensen te begeven – ongetwijfeld een groot offer; de Tibetaanse 14de-eeuwse hervormer Tsong-kha-pa[5] was een voorbeeld van een incarnatie van Boeddha – maar het werk op innerlijke gebieden gaat ongetwijfeld ononderbroken door. Wij mensen zijn niet alleen, al zien we de goden in deze tijd niet, want om met de goden te kunnen communiceren moeten mensen met hun zuiverheid van geest tot hun gebied opstijgen. Zij zullen gewoonlijk niet ‘afdalen’ naar het menselijke niveau.

In zowel India, het oude Egypte als bij de Amerikaanse Indianen vinden we het idee dat we op dit moment van een spiritueel standpunt gezien in een duistere tijd leven. De denkatmosfeer van de aarde is te grof voor de goden om tussen de mensen te leven en ze zenden daarom hun boodschappers. Dat is echter niet altijd zo geweest, en ook in de toekomst na afloop van de huidige periode zal dat niet meer zo zijn. De Egyptenaren beweerden dat vóór Menes[6] voor het begin van de dynastieke periode, nu ca. 5000 jaar geleden, de halfgoden op aarde regeerden en nog eerder zelf de goden zelf. In ieder geval zouden de vroege farao’s uit de periode vanaf Menes nog werkelijk in contact gestaan hebben met de goddelijke dynastie.

Maar ook in onze tijd is vooruitgang mogelijk – en zelfs bijzonder goed – anders hadden de boodschappers, de boeddha en de bodhisattva’s van de laatste duizenden jaren überhaupt niet hoeven verschijnen. Doordat we in een tijd leven waarin alle impressies en problemen zich in al hun diepte in gecomprimeerde vorm over ons heen lijken te storten, ondervinden we als individu en als mensheid, evenveel uitdagingen om te kiezen. Nu, in deze tijd, is vooruitgang mogelijk door studie van waardevolle literatuur en diep nadenken, noem het meditatie als u wilt, meditatie zonder uiterlijke franje. Zo’n studie reikt de ideeën aan van diegenen vóór ons – soms duizenden jaren vóór ons – die diep hebben nagedacht en uit hun diepste innerlijk hebben geput vanuit de motivatie iets te willen doen voor de individuen die samen de mensheid vormen. Het ontwikkelt de intuïtie, de meedogende motivatie en de subtielere vermogens van denken en waarnemen.

Er zijn een aantal fundamentele kwesties waar iedere individuele mens en iedere religie en op werkelijke wijsheid gerichte filosofie zich door de tijden heen mee bezighoudt. Die vragen hangen natuurlijk met elkaar samen, zijn eigenlijk aspecten van een allesomvattende vraag naar de essentie van het Zijn, en ze helpen ons nader te komen tot zelfkennis.

Eén ervan is de dood. Wat is de dood? Is er werkelijk dood? Wat gebeurt er na het sterven? Wat is de relatie tussen het leven op aarde en het hiernamaals (en het ‘hiervoormaals’)? Hier is heel erg veel over geschreven, in de moderne theosofische literatuur en in de geschriften en andere vormen van notatie van oude culturen. Omdat de dood iets is dat in werkelijkheid een ervaring is die ontsnapt aan de mogelijkheid om adequaat in aardse termen te worden beschreven, kunnen slechts algemene principes worden weergegeven die een poging zijn van degenen die de dood in al haar processen en fasen werkelijk bewust hebben ondergaan, om er iets van aan het begripsvermogen van ons aardse waakbewustzijn duidelijk te maken. De symbolen waarin diverse culturen hun inzichten hebben vastgelegd lijken heel verschillend. Pas als men die symbolen gaat begrijpen als reflecties van aspecten van het eigen bewustzijn die natuurlijk ook nu, tijdens het leven in dit lichaam, aanwezig zijn, opent zich het boek van de doden. Het Tibetaanse dodenboek bijvoorbeeld, eigenlijk het boek van de tussentoestand tussen twee geboorten, beschrijft de fasen van de dood – 49 in totaal – in termen van soms afschrikwekkende godheden met bloedgevulde schedels in hun handen. Die afschrikwekkende aspecten zijn echter niets anders dan de illusies die ook nu ons denken bezighouden, en die we moeten overwinnen. Natuurlijk heeft ons denken ook aspecten van wijsheid – subtielere illusies zowel als werkelijk begrip, en ook deze komt men tegen na de dood – men is het zelf In Egyptische graven vindt men op de muren allerlei afbeeldingen van wat er na de dood gebeurt, aspecten van zichzelf die men tegenkomt. Men treft er slangen die overwonnen moeten worden, en allerlei godheden die de hogere aspecten in de mens vertegenwoordigen. In het Egyptische dodenboek – wat eigenlijk het ‘boek van het naar voren treden in het licht’ heet, vindt men het idee dat de ziel gewogen wordt tegen de waarheid, voorgesteld als een hart op een balans tegenover een vogelveer op de andere schaal. Alleen wanneer zij volkomen zuiver is, kan vereniging met de godheid plaatsvinden. Eveneens in deze tekst vindt men de ethische verworvenheden die men tijdens het leven heeft moeten praktiseren om de poorten van de dood ongehinderd door te gaan. De Hindoes spreken van de lipika, de schrijvers van karma die elke gedachte, handeling en aspiratie noteren, en van Chitragupta[7] die voor de god van de dood de agra-sandhäni, het register voorleest. Natuurlijk zijn er maar weinigen die volledige zuiverheid en ontwikkeling van ziel bereikt hebben, en er worden dan nog vele nieuwe kansen in volgende aardse incarnaties geboden. Duidelijk is dat de dood een bewustzijnstoestand is van uitwerking, net als de slaap met haar dromen en zogenaamd droomloze perioden, en de aarde een plaats van handeling en bewust verkozen vooruitgang of geestelijke groei.

De theosofische literatuur geeft heel wat over de processen van de dood. In feite is de cyclus van dood en leven slechts één bijzonder geval van de cyclische wet die voor alle gebieden van het heelal geldt. Maar we spitsen ons nu toe op onszelf, de mens. In algemene lijn, heel in het kort, vindt men dat de voertuigen en persoonlijke beginselen waaruit de mens is opgebouwd zich van elkaar scheiden en uiteen beginnen te vallen. Het stoffelijk lichaam begint al meteen te ontbinden, zodra het model van astrale stof waarnaar het is opgebouwd zich ervan heeft gescheiden – het zilveren koord is gebroken. Vóór de breuk van het zilveren koord is terugkeer soms nog mogelijk, en het bewustzijn beleeft in die periode een panoramisch overzicht van het hele achterliggende leven en de ervaringen die kunnen worden naverteld door mensen die een bijna-doodervaring hebben gehad. De levenskracht of prāṇa verlaat het stoffelijke en astrale lichaam bij het sterven en de moleculen waaruit ze zijn opgebouwd gaan nu ongebonden hun eigen weg – stof tot stof zoals men zegt. Wat nog enige tijd blijft bestaan is een vorm die is opgebouwd uit de persoonlijke verlangens en gedachten die men tijdens het leven heeft gekoesterd, en het bewustzijn ondergaat de kwaliteit en kracht van die verlangens en gedachten, als in een droom. Meestal is die toestand niet erg intens, maar toch heeft zij aanleiding gegeven tot soms de meest vreselijke fantasieën over allerlei hellen. Deze toestand is maar tijdelijk, tot de energieën ervoor zijn uitgewerkt, en dan volgt als het ware een tweede dood en nieuwe geboorte, nu in het bewustzijnsgebied waarin de meer geestelijke beginselen van de mens een rol spelen. Deze vallen niet uiteen tussen twee levens, en het centrum van bewustzijn, de pelgrim die voortgaat van leven naar leven, verblijft nu vaak lange tijd – het kan vele duizenden jaren zijn, wordt gezegd, maar soms ook veel korter – in een toestand van bewustzijn die de vrucht is van alle mooie en inspirerende dingen die men op aarde heeft gedacht en geaspireerd. Het is een toestand van enorme gelukzaligheid en vrede, omdat de energieën van de persoonlijke gehechtheden ons niet meer hinderen. Natuurlijk vallen binnen deze ervaringswereld vele niveaus van subtiliteit te onderkennen. Toch, hoe mooi en geestelijk ook, ook dit is een wereld van illusies, uiteraard, die voortkomt uit wat men op aarde heeft gedacht. Deze toestand van bewustzijn zou niet optreden als men alle illusies had doorzien, en dit is wat we aan het eind van onze grote cyclus van geboren worden en sterven zullen bereiken. Wil men precies weten wat er na de dood gebeurt, neem dat zonder gehechtheid en fantasierijke afleiding de kwaliteiten en krachten van het eigen bewustzijn waar, verlangens, gedachten, gewaarwordingen van schoonheid en impulsen van werkelijke intuïtie. Natuurlijk kan men zo de ervaringen van het hiernamaals zelf sturen.

Een andere vraag die altijd is gesteld, heeft te maken met het lijden. Waarom is er lijden?

Heeft lijden een oorzaak, en zo ja, is die in ons of buiten ons? Wat is lijden? Is vreugde het tegengestelde van lijden? Is er rechtvaardigheid in het universum? In het oosten zowel als in het christelijke westen is er een leer die zegt dat wat men zaait, men ook zal oogsten. Elke gedachte die men heeft, elke intuïtie, alles wat men zegt of doet, brengt een keten van gevolgen teweeg, overeenkomstig de eigen natuur van de oorzaak. Een woede-uitbarsting werkt anders uit op een medemens en wat er van hem of haar terugkomt dan een glimlach. Vuur kan slechts hitte verspreiden, geen verkoeling, en ijs het tegenovergestelde. Ethische (of onethische) oorzaken worden getoetst aan de universele kosmische ethiek, die rechtvaardigheid en mededogen is, en de gevolgen worden vroeger of later – op het juiste moment en onder de juiste omstandigheden ondervonden door de veroorzaker. Niets, absoluut niets, kan ooit verloren gaan. Toeval bestaat niet, althans niet buiten de fantasierijke geest van westerlingen. Ook wat men vreugde noemt is in de ogen van een boeddhist slechts lijden: het is slechts de andere kant ervan en het één wisselt voortdurend af met het andere. Maar door inzicht worden beide verdreven en maken plaats voor de vrede die boven beide uitgaat. De leer van karma in al zijn verschillende aspecten is een van de moeilijkste leringen uit het theosofische stelsel, maar het algemene principe is eenvoudig: ten eerste, al wat men ondergaat leert de ziel dichter te komen bij universele rechtvaardigheid en biedt de kans een meer mededogend mens te worden; ten tweede, men maakt zijn eigen toekomst, niemand anders doet dat.

Andere kwesties waar men zich mee bezighoudt, en die essentieel zijn voor het begrijpen van de samenhang en relaties tussen alle dingen in de natuur, betreffen de elementen waaruit de mens, de natuur en de kosmos is opgebouwd. Als wij gedachten kunnen hebben, zou het denken zelf dan niet een fundamentele eigenschap van de kosmos zelf kunnen zijn? Als wij schoonheid kunnen ervaren, is dat dan niet omdat we iets herkennen van een wereld die boven het aardse uitgaat? In ik denk wel alle culturen vindt men een idee over opperwerelden en onderwerelden en hun bewoners. In de hindoe-purāṇa’s onder andere vindt men een uitgewerkt stelsel van wat men loka’s en tala’s noemt, en in de moderne theosofische literatuur wordt dit uitgebreid behandeld op zo’n wijze dat men de aanwijzingen verkrijgt die leiden tot inzichten die men waarschijnlijk door de studie van de purāṇa’s alleen nooit zou verkrijgen. Er bestaat een verband tussen alle aspecten van de mens, alle natuurrijken en alle aspecten van de kosmos. Er is niets in het ene dat niet ook in het andere wordt aangetroffen. Het is de sleutel tot het begrijpen van de samenhangen tussen alle wezens die deelnemen aan de evolutie – en dat zijn inderdaad alle wezens die bestaan, is alles wat bestaat, en ook van de ontwikkelingsgang van een yogi, of op langere termijn van de mensheid als geheel.

Waarom zijn we allemaal uniek, hoewel we toch uit dezelfde elementen zijn opgebouwd en uit dezelfde bron ontsprongen zijn? Waar komen we vandaan en waar gaan we naartoe? Is er een doel, en zo ja, hoe ontvouwt zich dat? Allemaal vragen die moderne biologen en kosmologen voortdurend stellen. De studie van de oude geschriften en de theosofie in haar modern gepresenteerde vorm kunnen een belangrijke leidraad zijn bij het begrijpen van die kwesties. De theosofie is zo rijk dat de wetenschap en filosofie nog eeuwen nodig zullen hebben om het belang van al haar aspecten in te zien en in hun zoektocht te integreren.

De specifieke taak van de moderne theosofische beweging zoals die ruim honderd jaar geleden door Blavatsky in gang is gezet is, zoals ik het begrijp, in de eerste plaats ieder te helpen bij het herkennen van de diepte die in elk systeem verborgen ligt en het stimuleren van de intuïtie, en ook om een tipje – een klein tipje wellicht – op te lichten van de sluier die eeuwenlang over en aantal essentiële leringen heeft gehangen. Het gaat er vooral om het inzicht te verspreiden dat de mensheid en de natuur geestelijk en fysiek één grote broederschap vormen, een idee dat elke vorm van discriminatie vernietigt.

Theosofie is er om mensen te helpen. De religies, filosofieën en wetenschappen van de wereld zijn er niet alleen maar voor een intellectuele of andere elite. Religie heeft, zoals ik het zie, een taak in het dagelijks leven van alle mensen. Wat heeft het voor zin over verheven ideeën te praten als we het dagelijks lijden en welzijn van mensen, en ook van dieren en zelfs planten en de hele natuur over het hoofd zien en hun niets te bieden hebben? Meedogende religie omvat ook geneeskunst of -kunde, praktische naastenliefde toegepast op de directe omgeving of op mensen en volken op andere plaatsen op aarde. Ook het ontstaan van milieugroepen, Artsen zonder Grenzen, het Rode Kruis, Amnesty International, dierenbescherming en heel veel andere zou je aspecten van meedogende religie van deze tijd kunnen noemen. Ook uitingen van kunst en muziek die een mooi aspect van het menselijk bewustzijn wakker kunnen roepen zijn natuurlijk van grote waarde. Maar het is zaak dat al deze dingen met elkaar verbonden blijven, zodat geen geïsoleerde waarheden of denksystemen en geïsoleerde doelen ontstaan, nagestreefd op materieel en psychologisch gebied, maar los van het diepe geestelijke begrip dat er de oorsprong van vormt. Welke religie men aanhangt, doet er misschien niet zoveel toe. Misschien kan men zeggen dat er evenveel religies zijn als mensen. Religie betekent verbinding zoeken met het goddelijke en het ontwikkelen van ontwikkelen van de intuïtie van het ware, het goede en het schone, om met Plato te spreken. Ieder volgt zijn of haar eigen hart, waarin al die kennis verborgen ligt, maar kan worden geholpen door wat grote denkers, mystici en ingewijden hebben aangeboden, en er dát uitpikken wat hij of zij herkent als van groot belang. De theosofie biedt sleutels waarvan sommige lang vergeten of verborgen zijn geweest. We leven in een unieke tijd.

  1. Kṛṣṇa, die leefde op de overgang van twee belangrijke tijdperken ruim 5000 jaar geleden, wordt beschouwd als de achtste goddelijk nederdaling van het schepping-instandhoudende goddelijke wezen genaamd Viṣṇu dat de bestaandee schepping instandhoudt (begeleidt) die gedurende de hele bestaansperiode van ons universum actief is. [<<]
  2. Volgens de leringen van de Jains en de Theosophy hebben er sind het begin van het vijfde (i.e. ons eigen mentaal gerichte) ras of de vijfde evolutiecyclus van de mensheid 24 grote ‘boeddhas’ of tīrthaṅkaras,(letterlijk:) ‘makers van een doorwaadbare plaats’ geweest die de mensheid de eeuweige wijsheid hebben onderwezen. [<<]
  3. The true Pahana is de Verloren Witte Broeder of de Hopi indianen in Arizona. Pahana vertok naar het Oosten toen de Hopi hun vierde wereld binnegingen en hun pelgrimage over het Noordamerikaanse continent begonnen (dat zou 800.000 jaar geleden zijn (White Bear Fredericks (personal communication) Hij zal echter terugkeren aan het einde van de vierde wereld, op de overgang naar de vijfde, en hij zal dan de boosaardigen vernietigen en een nieuwe periode van vrede (de vijfde wereld) initieren. Dit verhaal vertoont opvallend veel overeenkomst met de hindoese leer betreffende de avataras van Viṣṇu [<<]
  4. Quetzalcoatl en Kukulcán, Gucumatz betekent in de verschillende talen van de Azteken, de Mexikaanse en de Guatemalteekse Mayas ‘Gevederde Slang’. Deze daalt cyclisch uit de hemel neer om de cultuur een nieuwe impuls te geven. Quetzalcoatl bijvoorbeeld spoorde de Azteken aan een vreedzamer leven de gaan leiden. [<<]
  5. De lama Tsong-kha-pa (1357–1419) wordt algemeen beschouwd als de grootste Tibetaanse hervormer, exoterisch zowel als esoterisch, en zuiveraar van de leer, en hij stichtte de Gelukpa sectie (‘order van de deugdzamen’) waarvan de Dalai Lama het hoofd is. Zijn bekendste werk is de Lam Rin Chen Mo (‘Stadia op het pad naar verlichting’). [<<]
  6. Menes was de eerste farao, misschien ca. 5000 jaar geleden van de dynastieke periode in Egypte [<<]
  7. Chitragupta is de karmische schrifsteller van de Hindoes die elke beweging van de ziel van de mensen (en andere wezens) onuitwisbaar optekent in het astrale register. [<<]