Home » 11 De Nacht van Al Kadr

« | Contents | »

11 De Nacht van Al Kadr

Print Friendly, PDF & Email

De Nacht van Al Kadr

door C. ApArthur[1]

Don Jesus Maria Guzmán de Altanera y Palafox zou op kruistocht gaan; niet naar het Heilige Land, want daartoe ontbrak de gelegenheid, maar naar de gebieden van de ongelovigen die gemakkelijker waren te bereiken. Een dag rijden vanaf het kasteel van Altanera de la Cruz lag de burcht van die onverzettelijke heiden Ali Mumenin al-Moghrebbi; en het leek erop dat die burcht nu voor het heidendom verloren was. Als Aljamid bij verrassing overvallen kon worden zou een derde van de buit voor Santiago de Compostella[2] zijn; en dit zelfs voordat het vijfde deel dat de koning toekwam er was afgetrokken. Don Jesus was een edelmoedig en religieus man.

Van sangre azul was deze Don Jesus: een Goth[3], en hij erfde zijn meedogenloze vorstelijkheid van de Noordelijke horden die Spanje zo’n duizend jaar eerder binnenstroomden onder Adolf en Walia die woeste koninkrijken stichtten bovenop de puinhopen van de Romeinse provincie. Hij had nog de blauwe ogen en het vlaskleurige haar van het noorden; hoewel Spaanse luchten en eeuwen en een paar Keltische moeders mis­schien in het temperament dat daaronder verborgen lag wel wat ver­anderingen – ten goede of ten kwade – hadden teweeggebracht. Die hadden hem listig en gevaarlijk gemaakt en even onstuimig als een snelle oud-Teutoonse stier; die hadden hem half in een luipaard veranderd – vloeiend en vol gratie, maar met vreselijke klauwen – wat in vroeger dagen een en al leeuwengrootheid was ge­weest. Zo’n omvorming kan van beestachtigheid een berede­neerde wreedheid maken; maar het doet ook een straal van idealisme oplichten in de diepten van de ziel. De wilde krijger die dol is op grote feesten en drinkgelagen wordt een ridder die zich met grote overgave aan het gebed wijdt; het is de oude honger naar louter grote daden en avontuur, een hartstocht voor oorlogen, maar toch met iets van geestelijke waarden erin. Nu vecht je voor God, het geloof, de heiligen, en de Maagd; je motieven zijn van vrome aard; je trekt je zwaard tegen iets wat je als kwaad kunt betitelen; zelfs achter je rooftochten en plunderingen zit nu een soort van visie. Hierin ligt het verschil tussen Don Jesus en zijn voorvader, de zwaargebouwde Goth die onder Walia vocht. De afloop zou dan, daar had hij het volste vertrouwen in, een nietsont­ziende slachting zijn, plus alle nog ergere verschrikkingen van de oorlog: de hel losgebroken, naar de gewoonte van die tijd, op al-Moghrebbi en de zijnen, en er werd geen grens gesteld aan de beestachtige gulzig­heid ervan. Niettemin had hij als altijd met zijn mannen de mis bijgewoond voordat het valhek werd opgetrokken om ze door te laten en hij vertrok in geestvervoering als iemand die door de hemel is gemach­tigd. Wie hem vanaf de heuvel van Altanera de la Cruz naar beneden had zien rijden zou in zijn scherpe ogen en in zijn magere adelaarachtige gezicht en vastberaden kaak ongetwijfeld de mogelijkheid van wreedheid en roofzuchtigheid hebben kunnen lezen, maar ook de verre blik van de arend, zonwaarts en daar voorbij, als naar ongeziene dingen.

De Natuur, de grote alchemist, liefhebbert altijd in de mensheid: ze neemt het ene element en het andere en mengt die in bepaalde verhoudingen bij een bepaalde temperatuur en al haar experimenten zijn gericht op het verkrijgen van een spiritueel type. In het oude Spanje kwam ze heel dichtbij de overwinning en een Eureka! – maar, helaas, ze zat er toch een paar mijl naast. Er was weinig voor nodig om Don Jesus in een demon te veranderen; maar toch, even weinig kon hem maken in iets dat een god nabij kwam.

De hele dag reden ze voort, afgezien van een middagpauze; tegen de tijd dat de zon de besneeuwde toppen in het westen naderde, waren ze de laatste heuvelrand aan de voet van de bergen overgestoken: ze waren nu voorbij het omstreden gebied en bevonden zich, zou je kunnen zeggen aan de grens van het ongeloof. Hier te midden van de pijnbomen hielden ze halt en keken uit in de richting van hun prooi. Voor hun voeten glooiden de bossen steil naar beneden het dal in; daarginds, al in de schaduw van de bergen of nog goudgekleurd door de lage zonnestralen lagen de korenvelden en de boomgaarden van de heidenen; daar meanderde de rivier, bleek onder het ijle blauw van de late middag; daar­achter werd het landschap begrensd door de majesteitelijke Siërra, purper in de schaduwen, en het purper overdekt met een rijke zilveren of bleekgouden gloed. In de verte waren de toppen hemelwaarts opgestapeld en staken wit af tegen een lucht waarin spoedig de rozen van de zons­ondergang zouden gaan bloeien. En daar, schraal in vergelijking met de gloed en het duister van de bergen, net iets ten westen van recht er tegenover, verrees de rotspunt die naar voren uitstak in de vallei. Van hiruit gezien bestond hij uit een steile rots die 120 meter loodrecht omhoog rees; en als kroon daarbovenop stond het Kasteel van Aljamid – dat dank zij de heilige Jacob deze nacht in Katholieke handen zou overgaan.De Nacht van Al Kadr uit The Theosophical Path

Ze moeten wachten waar ze nu waren om niet voor het donker het Moorse land binnen te hoeven dringen; en vervolgens moesten de paarden verder met omwik­kelde hoeven lopen om te voorkomen dat ze een heidens wespennest zouden doen ontwaken dat zich al tegen hen zou keren vóór ze hun doel bereik hadden. – Natuurlijk dachten ze er niet over die wand daar te beklim­men; die mocht goed zijn voor geiten en apen, maar niet voor Christenen. De weg van waaraf ze het kasteel konden bestormen liep omhoog vanaf de bergen verderop; hij was steil en gemakkelijk te verdedigen, dat wisten ze; maar gegeven het verrassingseffect en de aanwijzingen van een gids niet helemaal onmogelijk, hoopten ze, bij maanlicht. En Don Jesus had inderdaad een gids meegebracht: ene Francisco Rondón, die jaren lang als slaaf gediend had in Aljamid, totdat een zekere vlugvingerigheid werd ontdekt die hem in moeilijkheden had gebracht. Daarna was hij erin geslaagd te ontsnappen; en hij had het voornemen gekoesterd om wraak te nemen, niet zozeer vanwege zijn lange gevangenschap als wel vanwege de zweepslagen die hem voor straf waren toebedeeld door de slavenmeester. Hij was het die Don Jesus had geïnspireerd tot het plan en hem had overtuigd van de uitvoerbaarheid en het voordeel ervan. Al-Moghreddi, wist hij, was hoogstwaarschijnlijk die dag met de meeste van zijn mannen in Granada[4]; in ieder geval was het onder de heidenen de heiligste nacht van hun Ramadan en er zou veel worden gefeest en weinig opgelet na zonsondergang, binnen de muren. Van de heiligheid van de onderneming behoefde Don Jesus niet te worden overtuigd.

Daar lagen ze dan te keuvelen onder de pijnbomen, totdat een signaal van de schildwacht hen op deed staan en ze gingen naar het uitkijkpunt. Het garnizoen trok er op uit naar het scheen, maar wel wat laat op de dag om nog naar Granada te gaan. De vraag was: Had Ali Mumenin van hun komst vernomen en besloten om in de vallei slag tegen ze te leveren? Onwaarschijnlijk, gezien de sterkte van de muren die volkomen onneem­baar waren behalve door verrassing (en verraad). Maar als dat zo was dan zouden ze hem te grazen nemen op de plaats waar ze door het water moesten waden; laat de Moren maar het water ingaan; dan zouden de Christenen wel op ze neerschieten … Zo stonden ze bij hun zadel, klaar om erin te springen en ogenblikkelijk naar beneden te razen; het Cierra Espana![5] lag, zou je kunnen zeggen, al in hun kelen om te worden uitgeschreeuwd.

Vaag kon men de moslimstrijders uit het kasteel zien komen en voor een ogenblik waren ze langs de weg volledig in het gezicht. Toen gingen ze schuil, alsof er een muur langs de weg was of omdat hij door een ravijn liep; direct daarna kwamen ze weer tevoorschijn op de berghelling, terwijl ze hun paarden aan de hand meevoerden. Ze kwamen in een enkele rij in groepen, ongeordend en gingen verspreid de vallei in; toen, na de klank van een zilveren fluit of pijp, begonnen ze zich te verza­melen en gingen te paard.

Vijfhonderd waren het er, op z’n minst; in plaats van de vijftig die nodig zijn voor een geregeld garnizoen; in dat geval zouden ze vijf tegen één zijn tegen de Christenen, als het op vechten aan mocht komen. Maar men moest ook rekening houden met de heiligen in de hemel en dat bracht, althans volgens de Christelijke denkwijze, het voordeel sterk aan hun eigen kant. Echter, het leek dat er niet gevochten zou hoeven worden. De Moren hadden zich verzameld aan de voet van de rots en zaten te paard; en wederom de klank van de fluit en ze vertrokken: niet in zuidelijke en oostelijke richting naar de doorwaadbare plaats en de Spanjaarden, maar in noordwestelijke richting op de weg naar Granada. Het was nog niet zo donker dat men de ronde schilden en de lansen en de getulbande helmen niet meer kon zien, en het gewapper van de witte gewaden over de maliënkolders, het steigeren en zwenken van de vooral grijze of witte paarden die zonder uitzondering met hun manen en staarten zwaaiden.. Ruiters in witte gewaden op witte dieren, parelgrijs in het halfduister: men kon zelfs op die afstand de beminnelijke gratie van het ruiter­schap zien; iedere beweging zette zich voort door paard en berijder, alsof zij één waren.… Weg reden ze en ze losten langzaam op in de verte; op en omhoog langs de rivieroever, naar het einde van de vallei, de pas over en in de richting van Granada. Zeker, de krijgshaftige Santiago van Spanje stond aan de zijde van zijn Spanjaarden – die de zaak al wel als gewon­nen konden beschouwen.…

Ze reden de heuvel af voordat het helemaal donker was en hoefden niet lang te wachten tot de maan opkwam. Vervolgens doorwaadden ze de rivier. Een paar honderd meter volgden ze de oever, sloegen toen af en staken omhoog de heuvel op onder de kasteelrots; ze posteerden een wachter in de vallei. Van toen af leidden ze de paarden aan de hand tot aan een kurkeikenbos halverwege de helling dat een schuilplaats bood om ze achter te laten. Nadat ze de paarden hadden vastgebonden en een wacht hadden neergezet gingen ze in stilte verder. Het pad was gemakkelijk genoeg, totdat het omboog en ze uitzagen op de rots van Aljamid. Een steil omhoog klimmende landengte naar de vesting met een afgrond ter weerszijde verbond de berghelling met de burcht: een weg uitgehakt door zwoegende Berbers door er treden en doorgangen in te maken om aldus een kronkelend en hobbelig pad te creëren dat bijna nergens breed genoeg was om door meer dan één persoon tegelijk te worden begaan, dat eigenlijk alleen begaanbaar was voor geiten, en bovendien op een stuk of twaalf plekken was beschermd door hekken. Aljamid werd als onneembaar beschouwd; het was nooit door middel van wapengeweld van eigenaar veranderd sinds Mura het had gebouwd en er garnizoenen in gelegerd. Onze Christenen arriveerden bij het ene hek na het andere en vonden die allemaal wijd open en zonder bewaking. Ze zouden verdacht geweest zijn op een valstrik, zou je zeggen; maar Rondón had vertrouwen in zijn plan­nen, en Don Jesus in hem; maar als er toch een val was zou het er hard aan toegaan: ze zouden de strikkenspanners strikken. Aldus omhoog en omlaag, naar links en naar rechts met plotselinge bochten kronkelt het pad verder: slechts zo nu en dan konden ze een glimp opvangen van de grimmige, maanverlichte torens verderop. Weldra liet Rondón hen in een soort van uitgegraven ruimte of omwalling stilhouden. “Señor,” zei hij, “vanaf bovenaan die trap daar is de weg recht en open; en aan het eind ervan, voor de poort, bevindt zich een dertig meter diepe kloof; terwijl de rest van de mannen zich hier verborgen houdt, moet ik tien lenige klimmers hebben om af te dalen en weer omhoog te klimmen, de wachten over­meesteren die daar mogelijk staan te posten en de ophaalbrug neer­laten.”

Don Jesus gaf fluisterend zijn bevelen. Hijzelf, zo overwoog hij, was met de hulp van Sint Jacob, meer waard dan tien van zijn mannen. Hij koos twee mannen als schildwachten, één voor bovenaan de trap en een voor de rand aan deze zijde van de kloof; toen sloop hij met Rondón verder. De afdaling bleek toen ze daar eenmaal waren geen eenvoudige klus voor een man in wapenrusting; maar de Spaanse maan schijnt helder en Don Jesus was zo lenig als een luipaard, gezond en behendig en niet verzwakt door een sinistere levenswijze. Bovendien kende de gids elke voetstap. Een smalle opstap van keien, schorpioe­nen en scherpe maanschaduwen op de bodem; dan de klim, minder moeilijk, aan de andere zijde. Halverwege omhoog kwamen ze op een smalle richel waarboven de rotswand steil en glad omhoog ging. Maar de Arabieren waren meester-ingenieurs, en er was een weg voor degenen die het geheim kenden. In het geheugen van Rondón was de exacte plek ingeprent waar je op de rotswand moest drukken; nu hij er tegen duwde week de rots en er kon een paneel worden verschoven; toen zij naar binnen waren gegaan bevonden ze zich in een kleine kamer. Door de open deur in de muur tegenover de ingang scheen het licht naar binnen van een lantaarn in de verte; er was niemand en er waren geen geluiden te horen. Ze gingen die gang in en klommen een heleboel treden omhoog; op de vloer stond zo nu en dan op geruime afstand een lantaarn zodat er wat licht was. Tenslotte kwamen ze uit op een klein kamertje – bestemd voor een poortwachter te oordelen naar de sleutelbossen aan de muur. Maar er was geen wachter.

Hier, Señor, ik laat de brug naar beneden en doe het valhek om­hoog,” zei Rondón; en hij greep al naar bepaalde handgrepen om daar mee te beginnen. Maar de stilte en het risico waren op de zenuwen van Zijn meester gaan werken. Bij iedere stap was de spanning groter geworden maar het was de spanning van een heerlijke geestvervoering. Nu vlamde de Don Quichot in hem op: trots op zijn ras, zijn geloof, zijn persoon­lijkheid. Hij had geen andere hulp nodig dan van de gezegende in den hoge.

Nu hij het kasteel had overmeesterd, de ongelovigen overwonnen en hen verslagen zonder er een te ontzien, nu zou hij zelf het kruis op de hoogste toren oprichten voordat er ook maar één andere Spanjaard binnen zou komen om hem te helpen. “Nee,” zei hij; “we zullen geen hulp van buiten nodig hebben. Laat het zoals het is en leidt mij Aljamid binnen.”

Rondón staarde voor zich uit, overdacht de situatie voor een ogenblik en richtte zich vervolgens in allerlei smeekbeden tot zijn heer; maar wat valt er te argumenteren tegen een gek met getrokken zwaard? Het zou een onmiddellijke dood betekenen onder dat Christelijke lemmet; of een uitgestelde dood, maar dan uitgedacht door de zwarte Abu’l Haidara, de slavenmeester, die zo sluw was als de duivel …

Wel, gun de heiligen een beetje tijd gedurende dat uitstel, en ze zouden wel iets kunnen doen – al hetgeen hij voor hen had gedaan in ogenschouw genomen. Er was misschien een kans om naar achteren te glippen en te rennen voor zijn leven; goddank wist hij de weg. Hij schreeuwde inwendig tegen zijn kerkse godheden en gehoorzaamde net op tijd.

Ze kwamen door verschillende zalen die er allemaal prachtig uit­zagen met bogen en gevlochten traliewerk; ze waren vaag verlicht met lan­taarns die hier en daar eenzaam op grote stukken met mozaïek ingelegd vloer waren neergezet. Burcht en paleis tegelijk was dit Aljamid van waaruit Ali Mumenin, die zich weinig bekommerde om zijn sultan in Granada, als een koning heerste en nu eens tot over zijn eigen grensval­leien de Christenen vervolgde en dan weer door hen werd nagezeten. (Inderdaad, een deel van zijn vertrouwen ontleende Don Jesus aan het feit dat hij een langdurige wapenstilstand doorbrak.) Spoedig kwamen ze uit op een maanverlichte binnenplaats die was vervuld van de muziek van een fontein die was omcirkeld door sinaasappelbomen die in enorme vazen waren geplaatst. Hier tenslotte hoorden zij een gerin­kel en getinkel dat duidde op menselijke aanwezigheid niet ver daar vandaan; en de behoefte om iemand te vinden om mee te vechten, tot overgave te dwingen, werd onweerstaanbaar voor Don Jesus. Hij stak snel de binnen­plaats over, al zijn aandacht gericht op wat hij daar achter zou vinden en daardoor had hij geen erg in de kans die hij Rondón bood. Zo gebeurde het dat kort daarna de wachtende Spanjaarden te horen kregen dat hun heer was overwonnen en gedood; dat het garnizoen binnen duizenden koppen telde en hen reeds verwachtte: en dat in feite op het punt stonden om er gewapend op uit te trekken. En zo gebeurde het dat diezelfde Spanjaarden tegen de ochtendschemering al een heel eind op weg terug waren naar Altanera de la Cruz. Inmiddels was Don Jesus was, die helemaal niet in de gaten had dat hij alleen was, de binnenplaats overgestoken en was door de boog zonder deur die zich daarachter bevond naar binnen gegaan en had daar uiteindelijk mensen gevonden.

Een lamp, naar je zou zeggen een heel kostbare, met robijnen, stond in het midden op de vloer; ernaast zat een luitspeler, een Afrikaanse, niet onknappe jongen; en op de divan erachter zat een oude Arabier met een witte baard, knap van uiterlijk met de schoonheid van de wijsheid van de ouderdom, die een ernst en waardigheid uitstraalde die helemaal nieuw was voor onze ernstige en waardige Spanjaard. Hij stond op en trad naar voren toen de edelman binnenkwam, en ging op hem toe met een houding die een en al hoffelijkheid en vriendelijkheid uitdrukte. “Welkom in Aljamid, Don Jesus de Palafax”, sprak hij; en “uwe gratie is in zijn eigen huis.”

De zaal was vervuld van de geur van muskus en sandelhout en iets anders wonderlijks daarbij, waarneembaar met een zin die nog intiemer is dan de reuk. Don Jesus zwaard was terug in zijn schede al voordat de Moor was begonnen te spreken. Hij had eerder heidenen van stand ontmoet, bij oorlog zowel als vrede en hij kende hen als caballeros de Granada, hijosdalgo, aungue moros; (ridders van Granada, edelmannen, hoewel Moren) waar men zeker respect voor moest hebben, Op alle punten behalve dat van het geloof. Maar hier was iets dat verering en verwondering op­wekte en dat was niet te verklaren door iets wat zichtbaar was. De gemoedstoestanden die zo-even nog zo vlammend brandden in de Spanjaar­denziel verdwenen: ras en geloof waren vergeten: hij voelde geen vijandigheid jegens deze nobele heiden: de termen heiden en Christen, als die nu voor zijn geest zouden zijn gebracht, zouden inderdaad weinig betekenis meer hebben gehad. In plaats daarvan was er een gevoel van intense verwachting: alsof er een gordijn weggetrokken zou worden, als iets waar hij zijn hele leven op had gewacht; een gevoel dat deze gelegenheid voor hem van groot belang was en die al was voorbestemd in tijden die ver vooraf gingen aan zijn herin­neringen.

De Arabier leidde hem naar de divan en beval dat er voedsel opge­diend zou worden. “U prefereert in wapenrusting te blijven, Señor, of is het gewicht van het staal u wellicht tot last?”

Santiago van Spanje, waar was je nu, om geen rauwe oorlogskreet van de geest te schreeuwen om uw kampioen van de ondergang te redden? Misschien had heiligheid in het vlees uw heiligheid van droom en dogma doen verschrompelen en verbannen! …. Don Jesus aarzelde geen moment, –

“Señor, bij uw oneindige hoffelijkheid” Hij maakte de gespen van zijn degenkoppel los, en overhandigde het wapen aan zijn gastheer. Er kwam een slaaf om hem uit zijn harnas te helpen; en een andere met water in een gouden waskom om hem gelegenheid te geven zijn handen te wassen. Toen werd er een lage tafel binnengebracht en borden, en het eten geurde naar bonenkruid; Don Jesus realiseerde zich nu dat hij honger had. Terwijl hij at praatte de oude man tegen hem.

Waar het over ging, wat hij zei, daar mag u zelf een voorstelling van vormen. Wie ooit de gast is geweest van een moslimaristocraat, een afstammeling van de metgezellen van Mohammed, weet wat hoffelijkheid voor gasten betekent bij deze mensen: volmaakte welgemanierdheid, koninklijke stijl en bovenal het vermogen om de gast zich het aller­grootste onderwerp van de zorg en persoonlijke belangstelling van zijn gastheer te doen voelen. Al deze eigenschappen spreidde deze Moor tentoon en nog veel meer. Wat hij ook zei, er klonk een innerlijke belangrijkheid en vitaliteit doorheen. Kon hij naar willekeur in het vorige leven van zijn gast kijken; of had hij geheime informatie over de details en verwikkelingen ervan? Met de oneindige tact van onpersoonlijkheid, wierp hij een licht op de hoogte- en dieptepunten daaruit en openbaarde aldus de man aan zichzelf. Dit alles in zinnen die maar toevallig leken op te komen; die hier en daar werden rondgestrooid en zich vervolgens verhieven en vreemd tevoorschijn straalden vanuit het verloop van het verhaal. Don Jesus luisterde en verwonderde zich; lang gekoesterde idealen schenen hem nu minderwaardig of te beperkt; zijn oude spirituele vervoering groeide, maar had alle banden van het geloof van hem afgeschud …. De woorden van zijn gastheer kwamen als licht in de donkerheid van zijn ziel; verrast als hij was door dat licht nam hij tot dan toe weinig notie van de onderwerpen die werden belicht. Maar er scheen zich daarbinnen een uitgebreide en verbazingwekkende wereld te bevinden; waarin men zou kunnen vinden, weldra –

Zwijgende slaven kwamen binnen op een handklap van de Moor en verwijderden de borden; toen werden er een schaakbord en stukken binnen­gebracht. Speelt Don Jesus? – Hij was, dat moet gezegd worden, daarin niet onkundig; dus begon het spel. “Maar eerst muziek,” zei de oude man. Toen hij daar in later jaren over nadacht overwoog Don Jesus dat dit het begin was van wat bovennatuurlijk genoemd zou kunnen worden: Dit keer kwam niemand binnen die een handklap gehoorzaamde; het was zeker dat ze alleen waren. Toch was er de muziek; die kwam van dicht­bij en rondom hen heen tot aanzijn, uit het zwakke licht van de lamp en uit de muskusgeur: eerst zwak, als een loutere begeleiding van de gedachte, een groeperen van de stilte en alsof het daarvan een melodie maakte … Het spel ging voort; de schaakstukken waren van ivoor, zeer fijn gesneden; rood was de Spanjaard, wit de Moor.

De pion voor de rode koning werd naar voren geschoven; het spel van de Don was er op gericht er een koningin mee te winnen. Een wit paard beweegt en dreigt; de dreiging wordt afgeslagen en de pion gaat voorwaarts; – zo gaat het spel, een harde strijd. Wat? – de witte stukken bewegen op hun beurt zonder dat de Moor zelfs een hand uit­strekt om ze te verschuiven … En wat is dit – dat Don Jesus de witte koningin gadeslaat, de loper die dreigde, de toren, niet vanaf zijn eigen plaats op de divan, maar precies van dat zesde vierkant waar zijn pion, nee, hijzelf – staat? Het bord is veranderd in de wereld waarin hij leeft; hij staat daar; hij is de pion: wordt bedreigd, beraamt plannen, siddert, wordt gered, beweegt vooruit en ademt vrij; nog één zet en het doel is bereikt … De muziek neemt toe, wordt luid en triomfantelijk; een schreeuw klinkt over het slagveld; hij draait zich om; daar rijdt iemand op hem af: een grote witte gestalte uiter­lijk meedogenloos doch vol mededogen; en hij wordt genomen.

Hij werd als het ware door een wonderlijk ge­zang uit zijn slaap gewekt en werd wakker in een licht, stralend in de nacht, helder, maar bovennatuurlijk, een licht dat in kracht zelfs de middagzon overtrof. Hij ontwaakte met een gevoel alsof hij door een vastenperiode en een spiritueel onderzoek was heengegaan; alsof hij langdurig de wereld en de mens met een zielenstrijd van meedogende twijfel had overpeinsd; en die strijd bleek toen hij de schittering van zijn visioen voelde tot bedaren te zijn gekomen.

Uit de stralende oneindigheid hoorde hij het gedaver en de weerklank van een stem grootser dan muziek, die zich voor zijn gehoor vormde in het volgende: De nacht van Al Kadr is beter dan duizend maanden[6]. Daarin dalen de engelen en ook de geest van Gabriel af naar de aarde met de bevelen betreffende alle zaken van hun Heer. Het is Vrede, tot aan de Roze Dageraad – Maar het was alsof een van Gods diepste geheimen, een hemelse openbaring duizendmaal naar beneden was vertaald en hervertaald, tot­dat het een gebied bereikte waar het in woorden gevat kon worden.

Voor hem, toehorend, leek het de hele samenvatting en essentie van de dingen die zijn of lijken te zijn; hij voelde er binnenin en voelde binnenin zichzelf de universa wentelen, en de Geheime Geest, hij voelde de Meester van de universa zichzelf bedwingen in eeuwigdurende afwisseling van rust en activiteit. Hij keek uit over de wereld en de mensen die zich tevoren met zulke volhardende onbegrijpelijke noden van het hart aan hem hadden voorgedaan; en hij zag hen uit het licht van alle lichten gesponnen worden en dat ‘belichamen’.

Uit HET komen wij voort en tot HET zullen wij wederkeren,” riep hij uit; hij ging voort, gekleed in de Vrede van Al Kadr, gevoelig voor de goddelijkheid die hem “nader was dan zijn halsader.” Het licht verflauwde, de muziek stierf weg in verwarring; en werd uit de verwarring opnieuw geboren, ditmaal krijgshaftig, wild en fel. Hij reed uit in onbesuisde veldslagen en vergenoegde zich in het doden van mensen; hij bevond zich in steden die werden bestormd en hij viel in de slachtpartij die op hun inbeslagname volgde. Dan eens droeg hij het ene lichaam, dan het andere: een Arabisch, een Berbers, Grieks, Frankisch, Germaans, een Spaans. Nu eens in de oorlog, dan weer in de handel, nu eens gekroond en tot koning uitgeroepen, dan verkocht en geketend als slaaf: hij wierp zichzelf in de ene bezigheid of het andere avontuur, op zoek naar licht en kennis die inderdaad vergeten was, maar waarvan de nagloed niet uit zijn ziel wilde wijken. Als een man uit een leger van mobiele ruiters doorkruiste hij door de oorlog getreden slagvelden om de tekbir[7] van de Moslims te plaatsen; in naam van de Meest Barmhartige doodde hij en werd hij gedood; – toch, dodend of gedood wordend vond hij niet waar zijn ziel naar hongerde. Bekleed met staal reed hij uit als kruisridder; was een doder uit alle macht bij de oorlogskreet Cierra España! Maar de visioenen van de heiligen die hij aanriep vervaagden altijd; steeds weer sloten zijn ogen in de dood: hij trok zich altijd in de stilte terug zonder dat zijn geestelijk honger was gestild; hij brandde van verlangen naar het vuur; werd teleurgesteld in de innerlijke betekenis van het geloof; riep vergeefs om een goddelijk licht in het innerlijk duister. En altijd, zo leek het, was er een stem van verre, van lang geleden, die het uitschreeuwde tegen hem en die niet door zijn verstand werd gehoord; en voortrijdend, vechtend, handel drijvend en dodend en zondigend was hij door dat verlangen te weten wat er geroepen werd zonder vrede. Dat zou het Geheim zijn, dat zou de Overwinning zijn; het was om te horen en te leren begrijpen, leek het dat hij aldus van het ene leven in het andere werd geslingerd.

Nacht, nacht, nacht; en veraf – het was een obsessie voor zijn geest vol verlangens – bloeide de ochtendschemering in de lucht: de ochtendschemering, één en al kennis, één en al schoonheid: de bevrediging van de onrust en aspiraties van zijn hart. Verder en verder ging het met hem door de woestijn; bleek blinkend onder de blinkende sterren lagen de beenderen van degenen die op de weg voor hem waren gevallen. Zou er nooit een eind komen aan dit onafzienbare voortjagen?

… Ah, hier was het licht; hier was de schittering; hier was de stem die klonk uit het doorbreken van de zon: “De Nacht van Al Kadr is beter dan duizend maanden … Het is Vrede tot aan de Roze Dageraad.” De oude Moor zat tegenover hem op de divan, woorden intonerend in een onbegrijpelijke taal – toch waren die een ogenblik daarvoor voor Don Jesus begrijpelijk geweest, toen hij zich in de woestijn bevond en het grote licht straalde. “Meester, ik weet!” zei hij, in alle bescheidenheid. “Het is vrede … het zal; vrede zijn … tot – ”

De oude man stond op; prachtig waren zijn ogen vervuld van een vredig mededogen, triomf, begrip. “Uwe gratie zal wel moe zijn na zo’n lange tocht,” zei hij. “Ga nu slapen, en vrede zij met u.”

Don Jesus leunde achterover in de kussens en sliep. Was het een ijldroom, of kwam het door zijn halfgesloten nog niet volledig door de slaap bevangen ogen, dat hij zijn gastheer zag veranderen in een licht­gevende gestalte en vervolgens verdwijnen?

Hij werd wakker; volop daglicht scheen naar binnen door de bogen van de binnenplaats. Voor hem stond een Moor die hem strak aankeek en die hij herkende als de geduchte al-Moghrebbi: met zwarte baard, fors gebouwd en met de ogen en het gelaat van een krijgsman en een des­poot.

“Een vreemde gast tref ik in mijn kasteel, Señor,” zei de Moor.

Don Jesus stond op en boog. Wat hij voor zich zag was niet een heiden, niet een vijand van Christelijk Spanje; maar een medemens, een kameraad – wat zal ik zeggen? – een omhulsel van het Juweel van alle juwelen, een zoeker in de woestijn na het ochtendgloren. “Ik sta tot uw dienst, Señor,” zei hij.

“U hebt van mijn zout gegeten, schijnt het; hoewel dat mij onbekend was is het u aangeboden. Ik geef u vrijgeleide tot aan uw eigen grenzen vervolgens kunt u, de sterkte van Aljamid kennende, de keuze maken tussen vrede en oorlog.”

“ Señor Moro” zei Don Jesus – en vroeg zich af vanwaar die woorden tot hem kwamen – “Het is Vrede, tot aan de Roze Dageraad.”

“ De dageraad is voorbij, Señor. Dus U verkiest oorlog?”

“Ik kies geen oorlog, Señor, nu niet, en ook niet in de toekomst. Indien uwe gratie zich in herinnering wil houden dat ik van uw zout heb gegeten, zal ik – ik zal mij herinneren dat ik in uw kasteel een nacht heb doorgebracht die – beter was dan duizend maanden.”

Ali Mumenin keek hem nieuwsgierig aan. “Vreemde woorden zijn dit, gesproken door een Christen tot een Moor.”

Weer boog de Spanjaard zich. “Moeten we niet zeggen, Caballero,

van broeder tot broeder?”

Don Jesus dacht na toen hij door het kurkeikenbos reed; zijn Moorse escorte, met aan kop Al-Moghrebbi die nu één en al hartelijkheid was bracht hem naar de grens. Een tiende van zijn bezittingen behoorde, ter nagedachtenis van bepaalde overwinningen, te worden bestemd voor – Santiago de Compostela? Dan was het gerechtvaardigd dat een ander tiende deel naar een of ander heiligdom van de Moren zou gaan. Bij nader inzien besloot hij dat voor beide een betere bestemming gevonden zou kunnen worden.

Hij leefde lang genoeg om het vertrouwen te winnen van Ferdinand de Katholiek[8] en om van deze politicus doch niet onvriendelijke man het Kasteel van Aljamid en het bestuur over het omringende district toegewezen te krijgen. Isabella[9] verwijderde hem toen zij haar achter­volgingspolitiek begon en hij trok zich terug op Altanera de la Cruz. Torquemada[10] zond spionnen gedurende zijn laatste regeringperiode om inlichtingen in te winnen over bepaalde geruchten betreffende zijn geloof[11]; de spionnen kwamen, gehuld in geveinsde sympathie, er achter dat hij in de grond van zijn hart aan de zijde stond van de overwonnen heidenen; en waarschijnlijk, zo oordeelden ze, een vertegenwoordiger van de Broeders van Oprechtheid[12]

Tot de dag van de verovering van Granada bleef er onder de slaven van Aljamid een legende leven over hoe op de heiligste nacht van de Ramadan, de Nacht van Al Kadr in een jaar dat hun heer er met het garnizoen op uit was getrokken om bij de volgende dageraad onverwacht terug te keren omdat zij vernomen hadden dat er zich Christenen in de vallei bevonden – Aljamid vervuld was geweest met de muziek van het Paradijs, de geur van muskus en sandelhout en het aroma van heiligheid; en dat de geest Gabriel was neergedaald, of zoals sommigen van de meer nadenkenden onder hen meenden, een van de grote Broeders van Oprecht­heid, de dienaren van die onsterfelijke Mens die de pijler en spil van de wereld is.

  1. Kenneth Morris. [<<]
  2. Santiago de Compostela is de hoofdstad van Galicie in het uiterste Noordwesten van Spanje. De stad dank haar bestaan aan het graf van Sint Jacobus de Grote, waar zich nu de kathedraal van de stad bevindt, en de weg ernaartoe te staat bekend als de Sint Jacobsroute of Jacobsweg. [<<]
  3. De Gothen waren een oud-Teutoons volk die in de derde tot zede eeuw een belangrijke machtfactoor vormden in het Romeinse rijk. De Gothen waren het eerste Germaanse volk dat zich tot het Christendom bekeerde. De Gothen zouden oorspronkelijk via de Baltische zee uit Zweden zijn gekomen. [<<]
  4. Granada is de hoofdstad van de gelijknamige provincie in El Andaluz, Spanje. De stad is bekend vanwege de Alhambra, een beroemd islamitisch fort en paleis, een uitbreiding van een klein fort gebouwd in 889. [<<]
  5. Cierra España. Een Spaanse oorlogskreet, in gebruik tijdens de Reconquista (‘herovering’) ‘trek de troepen rondom hen samen’ of ‘ga er tegenaan’ gebruikt door de christenen in hun veldslagen tegen de moslims. [<<]
  6. De Nacht van Al Kadr, of Laylat al-Qadr, of de Nacht van het bepalen van het Lot, of Shab-e-Qadr is de jaardag van het moment dat de eerste verzen van de Koran werden onhuld aan de profeet Mohammed (vrede zij met hem). De gebeurtenis wordt ook genoemd ‘de Nacht van voorbestemming, de nacht van Macht, de Nacht van Waarde, de Nacht van het Lot en de Nacht waarin de maat (van de lotsbestemming) wordt bepaald. Het is een van de oneven dagen gedurende Ramadan en men zegt dat deze nacht beter is dan duizend maanden van religieus eerbetoon. Op deze nacht zijn de zegeningen en de barmhartigheid van Allah overvloedig, worden zonden vergeven, smeekbeden verhoord en ook wordt de jaarlijkse lotsbestemming voor de engelen op die nacht bepaald die (in die nacht) naar de aarde afdalen. [<<]
  7. Tekbir of Takbīr is de term die wordt gebruikt voor de Arabische frase Allāhu Akbar, de eerste woorden van het gebed dat men dagelijks uit de minaret hoort declameren. [<<]
  8. Ferdinand de Tweede, ook bekend als Ferdinand de Katholiek was koning van Sicilie vanaf 1468 en koning van Aragon van 1479 tot 1516. [<<]
  9. Isabelle de Eerste (1451-1504) was koningin van Castilië. Isabella en Ferdinand staan bekend om het voltooien van de Herovering door de christenen van de door moslims en joden beheerste gebieden, waarbij deze konden kiezen tussen bekering tot het christendom of verbanning door de Spaanse Inquisitie. [<<]
  10. Tomás de Torquemada (1420-1498) was een prominent leider van de Spaande Inquisitie. [<<]
  11. Voetnoot van Kenneth Morris: Maar toen zij de Christelijke territoria van Altanera de la Cruz doorkruisten vonden zij een orthodoxe boerenbevolking die er evenzeer van overtuigd was dat hij, indien hij al geen katholieke heilige was, slechts op de dood hoefde te wachten en de Paus zou hem heilig verklaren. [<<]
  12. Overeenkomstig de leer van de Islam een geheime Loge of broederschap van Adepten, waarvan de leden een eeuwig leven hebben en die de behoeders zijn van de esoterische wijsheid, en van tijd tot tijd incarneren te midden van de mensen voor het welzijn van de mensheid. [<<]
« | Contents | »