Home » 10 De appels van kennis

« | Contents | »

10 De appels van kennis

Print Friendly, PDF & Email

Towndrow - De appels van kennis

De appels van kennis

Dit is het verhaal van de opkomst van Gonmar[1] – het wereldrijk Gonmar, eens de meesteres van de wereld – hoewel er nu in geen enkele woes­tijn brokstukken meer zijn te vinden die zouden kunnen getuigen van de eeuwige roem van haar grote Ozymandiasen, dat zijn Koningen van de koningen. Maar er waren er vele, en hun vermaardheid hield langer stand dan die van Sesostris[2] of Semiramis[3] of Nimrod.[4] Nineveh[5] en Babylon en Thebe; Medes en de Perzen en Macedonië; Rome, en toen Spanje en Engeland: we denken dat we heel wat afweten van wereldrijken! Poeh! Die van de laatste tienduizend jaar zijn slechts een bleke schaduw en echo van wat de vroeger tijden hebben gekend. … Nooit voerden die rijken hun slagorden zo ver, bulderden hun legioenen zo luidruchtig, of verbraken hun ontelbare trotse armada’s de eenzaamheid van iedere zee, of er waren er die hen voorgingen en die machtiger waren dan zij, terwijl ze over nog uitgestrektere gebieden heersten en nog hoger verheerlijkte luister tentoonspreidden.

Van deze verloren rijken was dit Gonmar een van de machtig­ste: het lag in het midden van de wereld en regeerde in zijn bloeiperiode – die zo’n twintig duizend jaar duurde – alle continenten en kapen en eilanden van de wereld, zodat er nergens een koning regeerde die niet zijn kroon en zijn recht om te leven aan de gratie van de Koning der koningen in Gonmar te danken had. Maar op dat alles zal ik nu niet ingaan; hier gaat erom een verhaal te vertellen van wat zich nog vele eeuwen daarvoor afspeelde: de dagen voordat Gonmar tot die enorme hoogten was opgeklommen, en lang voordat rondom de wereld alles binnen grenzen was vastge­legd zoals tegenwoordig.

Het is dan voldoende om te vertellen dat er in die tijd deze twee konink­rijken waren, Targath en Gonmar: allebei zo machtig dat er in de wereld geen plaats was voor allebei. En we kunnen wel vermoeden (een mens is nu eenmaal een mens) dat beide de kampioen van de vrijheid van alle mensen of voorvechter of bewaker van de beschaving waren; en dat beide sinds lang een beeld van een duidelijke bestemming koesterde en een – enigszins gekleurde – opvatting over de taak van de mens; dat ze allebei een grote liefde hadden voor vrede en vastbesloten waren voor altijd een eind te maken aan oorlog; dat beide zich buitengewoon bewust waren van hun eigen aangeboren – en krachtige – rechtvaardigheid, en met gepaste afschuw de grove goddeloosheid – de eerzucht, wreedheid, perversiteit en kwade opzet – van de ander beschouwde met wie men in feite al sinds eeuwen op voet van oorlog leefde, ongetwijfeld met de bedoeling dat vrijheid, cultuur en in het algemeen gesproken de menselijke ziel, behouden zouden blijven. Dat was wel in het bijzonder in de afgelopen tien jaar het geval. Wanneer zich dat precies afspeelde? Ik zal daar nauw­keurig over zijn: het gebeurde in het jaar zoveel voor Christus tot de n-de macht. In precies dat jaar besloten de druïden dat, koste wat het kost, het maar eens afgelopen moest zijn met al die dwaasheid; en zij namen in overeenstemming daarmee hun maatregelen.

Dit als inleiding. Nu moet je je voorstellen dat er een jaar en dag voorbij zijn gegaan sinds zij hun besluit namen; en je kijkt uit over de zee voorbij de rand van de wereld; en je ziet, in het midden van die zee de eilandberg Tormathrannion, de Berg van Wonderbaarlijkheid, omringd door water van smetteloos turkoois. De zon staat al laag en de trage golfjes blinken en schitteren op het water. In plaats van het gebrul en gefluister van de door scheepskielen doorkliefde oceanen van deze wereld, welt er een zachte melodie op – als een harp, of als belletjes. De slaperige zee zingt zacht mee vanuit de diepe tevredenheid die in haar hart woont. Wat betreft de berg Tormathrannion, die is overdekt met een weelde aan crèmekleurige bloesems die gloeien in de zachte straling van de late middag; en de geur van rozen en magnolia’ s ver­spreidt zich mijlenver rondom over de zee. Reinaak de Dappere, koning van Targath ademt deze geur in als hij staat geleund over de voorsteven van zijn drakenboot die heel snel voort vliedt uit het oosten en het zuiden in de richting van de berg; en hij geeft zich over aan een tumult van jubelende gedachten.

Want zonder twijfel, denkt hij, nadert zijn speurtocht het doel. Zo er een berg Tormathrannion bestaat – zoals de heilige religie verklaart – dan is het die berg daarginds; en dáár, in de hoogte, zo’n driehonderd meter boven zeeniveau, die sterren, die rode diamanten en die vreemde topaasachtige lichtschittering, hangen de vruchten van de appelboom van de verlichting – waar hij slechts van hoeft te proeven en de wereld zal hèm toebehoren. Hem; want hij is de uitverkorene van de Goden en de druïden voor de wereldheerschappij, en om een nieuw en nobeler tijdperk in te luiden. Want zodra die vrucht zijn lippen is gepasseerd zal hij alles weten dat geweten kan worden; en mens nog god zal in staat zijn om geheimen voor hem te verbergen; en als hij in het bezit is van die kennis, wie zal hem dan nog in de weg kunnen staan? Niet Bortin, de koning van Gonmar, met al z’n onver­zettelijke legers: die zullen, nu spoedig, voor hun onrechtvaardigheden moeten boeten. …

Met die gedachte aan Bortin raakt zijn denken meteen in een stroomversnelling: die naam is hier olie op het vuur. Die man! die de wereld van vrede beroofde. … wiens wilde ambities, wiens walgelijke wreedheden! Vijf miljoen krijgers, de bloem van Targath, werden gedood sinds hij, Reinaak, de troon besteeg – omdat die vervloekte kerel niet genoeg meende te hebben aan wat hij had! Maar niet ongewroken gedood, o nee! De Goden zij dank, werd de koude hel bevolkt met zo’n vijf miljoen of meer van die valse Gonmariaid; en spoedig zouden ze hun koning weer bij zich hebben; ja, ze zouden hun vervloekte koning weer krijgen! Hij bedacht de verschrikkelijkste manieren om Bortin om te bren­gen; en hij wenste dat de drakenboot sneller voer.

Maar waarom zou hij zich eigenlijk vermoeien met zulke gedachten? Er was geen twijfel; hoe kon men twijfelen aan die berg die daar opdoem­de uit de zee als het losbarsten van machtige muziek – als een kreet van de zonen van God, als een trots signaal naar de hemel. Al dagen wist hij dat hij zich bevond op de rand van een andere en heiliger wereld die van een nog meer mysterieuze schoonheid was dan deze. Dat zijn wezen er van vervuld moge worden; en groots en kalm en onverstoord zijn haat. De zee van stormen had hij allang achter zich gelaten: niet langer hoefde de drakenboot gebiedende vleugels uit te spreiden over het rusteloze, razende water, om voor zichzelf een smal pad van vrede te slaan. Niet langer verhieven zich aan beide zijden de zwarte golven met grijnzende en jankende demonenkoppen en niet langer zwaaiden onmachtige ge­klauwde handen om hem heen om hem te grijpen en te verscheuren. Het was hier rustig, en er klonk een zacht getinkel van belletjes in de bochten van de golfjes; en dwaalgeestjes zo schoon als bloemen die oprezen om zingend over de rimpels te glijden en weer te verdwijnen; wezens schaduwachtig als de avond, doorschenen met het abrikozen en violette schijnsel van de zon. Je was hier al half een god: onsterfelijkheid trilde door zijn wezen – dat bezig was te veranderen. Men moet haten zoals de Goden dat doen, zonder angst!

Zelfs de negen roeiers van de boot – die mysterieuze stille feeënkoningen die hem een jaar en een dag hadden vergezeld sinds de druïden hen door hun toverkracht uit hun gebruikelijke bezigheid, het wegvoeren van de doden, tevoorschijn hadden geroepen om hem voorbij de grenzen van de wereld te dragen, zelfs zij, dacht hij, waren een beetje veranderd in deze nieuwe grootse omgeving. Hoewel ze nog altijd zwegen en als steeds van hem onbewust schenen te zijn was er een sterachtig en goedaardig licht in het ondoorgrondelijke azuur van hun ogen verschenen; de donkere vlam die hen belichaamde scheen rijker in haar duisternis; de sterren die flonkerden en vervaagden rondom hun hoofden straalden in een groter ritme. Want hier was de berg Tormathrannion, binnen de grenzen van de wereld van de onsterfelijken; het licht en de geur van de appels van Tormathrannion doorkliefde de lucht in die wonderbaarlijke regionen. Hier ademt men zoals de Goden ademen, – hun hart in harmonie met de sterren. Hier hoeft iemands geest niet onrustig te zijn; iemands haat –

Wat dat betreft, waarom haat? Of men zou het zoete ervan kunnen behouden en de bitterheid laten verdwijnen? De bitterheid was verdwenen want er was nu geen twijfel meer mogelijk, en ook had hij geen gebrek aan macht. Natuurlijk zou hij Gonmar verpletteren. Kennis was macht; en hij, Reinaak de bezitter van alle kennis, zou almachtig zijn: de wereld zou hem toebehoren, en er zou vrede heersen, streng voor zover het Gonmar betrof, want Gonmar had strengheid nodig; maar zachtmoedig voor de rest van de mensheid. Want Gonmar was het enige dat de schoonheid van de wereld bedierf; of Bortin van Gonmar was de wortel van de verdor­venheid van Gonmar. Hij zou gestraft worden, gedood, op een afschuwwekkende manier, om eerzuchtige vredebrekers voor altijd schrik aan te jagen.

Met lange slagen dreven de negen koningen de boot vooruit; de melodie van de golfjes werd steeds lieflijker en steeds magischer werd hun juwelenschittering. Nu was de boot in de baai aangekomen en op korte afstand glansde het pareldoffe zand van de stranden. De glorie, de eer, de macht en de heerschappij zouden voor altijd aan Targath zijn: aan Targath, het Superieure Volk, – het enige ras op aarde dat wist hoe de aarde geordend diende te worden. Reinaaks ziel kookte. Als hij draken of woeste leeuwen of machtig bewapende geesten op zijn weg naar de boom was tegengekomen was het slecht met hen afge­lopen; maar hij zou zijn doel glansrijk bereiken. Met getrokken zwaard sprong hij uit de boot en keek niet meer om, en hij waadde door het on­diepe water, en over het natte en het droge zand en over een pad dat tussen de kliffen doorliep begon hij de beklimming van Tormathrannion. Er waren geen draken en geen leeuwen, geen gewapende geesten boden hem tegenstand. Door de stilte van voorhistorische werelden; door een weelde van crèmekleurige rozen; over holle paden zoetgeurend van de tijm en wilde hyacinten, en langs heuveltjes met azalea’s, magnolia’s en rododendrons: en tenslotte bereikte hij de vlakke open plek waar de Boom groeide.

De zon hing laag in de hemel en de lucht en de zee waren als de stille muziek van de kleuren in de dromen van God. De stam en de takken en bladeren van de Boom stonden afgetekend tegen het wonderlijke schijnsel; en de drie rijpe appels waarvan het hem gegeven was te weten dat die daar hingen blonken even groot en lichtend als de laagstaande zon, maar in een nog rijker en blozender karmozijn. Ze waren transparant en hun geur vervulde de avond; geen blad of twijg werd ook maar door het minste briesje beroerd. De stilte van God rustte op de wereld, de verre neuriënde melodie van de zee was niet luider dan een hartslag: glorie, eer, macht, heerschappij … Bortin, koning van Gonmar, huiver! Op zijn tenen en jubelend zo stil als de sterren, kwam hij bij de boom, en plukte een appel, en at …

En uit de stilte barstte plotseling muziek los, en hij was zich de hele kosmos en zijn stelsels als gezang bewust. De grond onder zijn voeten en de boom en het uitgestrekte, schitterende water, de zon, zijn eigen wezen waren slechts de boventonen en echo’s, het ritme in de verte en de allerlaatste trillingen van een lied. Duizenden en nog eens duizenden sterrenstelsels die zich steeds verder uitstrekten, en toch steeds dieper binnenin hem – de muziek van duizenden en duizenden zangers die zelf de muziek waren van weer duizenden en duizenden andere. Boven hem, rondom hem, in hem, zie! Steeds weer werelden boven nieuwe werelden: ze bestaan, of worden juist geboren, of doven uit als de stervende tonen van een lied: en dat al in het leven geworpen en in evenwicht gehouden in de meest beheerste beweging, door een intense roes van heerlijkheid. De eeuwigheid brandde in elk moment: elke atoom van tijd was zwanger en van leven doordrongen van het geheel. Binnenin hem heerste de heerlijkheid van de luchten; de laaghangende zon straalde zijn schoonheid vanuit een gebied binnenin hemzelf dat niet ver weg was. Hij was de zee en hij was de berg; hij was de Boom van alle bomen en de magische vruchten daarvan. De kennis die onaf­scheidelijk met het innerlijk van die appels verbonden was stroomde door de banen van zijn bewuste denken. Hij was de vloed van gezang die te voorschijn kwam uit het centrum waarvan de zichtbare schepping het schuim was en de gewaarwording van de bestaande dingen de ondertoon.

Hij draaide zich om met de bedoeling om terug te gaan naar de boot …

En hij zag de boot aankomen – in het midden van de baai. Dat wil zeggen, de boot waar hij in gekomen was, of een andere die er op leek. Zij was gevormd als een draak, en werd geroeid door negen feeënkonin­gen. Alleen waar hij onlangs had gestaan zag hij nu, van alle inwoners van alle werelden die het mogelijk hadden kunnen zijn, Bortin, de koning van Gonmar.

Er was geen twijfel mogelijk. Hij zag hem aan land komen, het strand oversteken en een begin maken met de beklimming; en Reinaaks ziel zong van intense vreugde. Want wie kwam daar het pad op in de schemering onder de eerste sterren … hijzelf weer; of het was de buitengewone heerlijkheid van het heelal, de schoonheid van de werelden zonder eind; of het was een god die in de hemel was toegerust met pluimen van sterren­stelsels en sterrenvuur. Maar – beroofd, gevangen en ver­vuld van leed; de heerlijkheid en schoonheid verduisterd door onwetend­heid; de god, doorstoken met een giftige pijl, die helemaal opgaat in de doodstrijd van een klein met veel rook en stank brandend vuur in de laagste regionen van zijn wezen; zodat terwijl hij tot liefde en verering geïnspireerd, tegelijk ook een intens, overweldigend mededogen in hem werd opgeroepen. …

Te meer omdat Reinaak in zijn alwetendheid als het ware de gedachten in Bortins geest kon horen; en ze kwamen hem afschuwelijk bekend voor; hoewel onbegrijpelijk. Want dit was wat hij hoorde:

Hij, Die man … die de wereld van de vrede beroofde … wiens onver­zadigbare eerzucht … hij wiens gemene wreedheden … Vijf miljoen, de bloem van Gonmar, zijn er gedood sinds ik de troon van mijn voorvaderen besteeg; omdat een dwaas er plezier in heeft de halfgoden­veroveraars van weleer na te apen … Maar ze zijn niet ongewroken gedood, de goden zij dank! de koude hel is nu bevolkt …

Enzovoort. ‘Arme ziel van een god!’ dacht Reinaak, ‘maar hij zal van de appel eten en weten; en alle sterfelijkheid in hem zal genezen zijn.’ Toen schoot het hem door het hoofd dat dit uiteindelijk in feite de aard van de sterfelijkheid was; en dat alle menselijk denken aldus lijdt of lijden moet. En hij-zelf, omdat hij een mens was, omdat hij een menselijk lichaam droeg – hoeveel wijsheid en vreugde hij zelf ook had, al die misère, die vretende ziekte zou een wond en een last voor hem zijn. Oh, kon hij de hele mensheid maar naar deze berg Tormathrannion brengen en van de vruchten van deze boom laten eten! – waaraan nooit meer dan drie rijpe appels hingen. Een had hij er opgegeten; één was er voor Bortin van Gonmar – eens zijn vijand, maar van nu af voor altijd zijn vriend; – wat zou het baten als zij de enige overblijvende appel mee terug zouden nemen zodat één man van hun keuze ervan zou kunnen eten en wijsheid vergaren? Op één of andere manier moest de wereld veranderd worden, en hij en Bortin

Jij hier, koning van Targath!’

“Broeder, broeder, hoe goed is het dat u gekomen bent! Nu kunnen we –’

‘ Ja, we kunnen.’ Bortins zwaard was getrokken.

‘ Pluk snel de appel, mijn broeder, en eet! Het zal –’

‘Je zwaard, je zwaard, vervloekte Targath! Trek het, en snel; voordat ik –’

‘Zwaard? Trekken? Waarom?’ Met al zijn kennis had hij daar nooit aan gedacht; en hij glimlachte van verbazing zo vreemd kwam het hem voor. ‘Nee, maar eet de appel, waarde broeder, en –’

‘De vierde keer dit “broeder”, onbeschofteling! Trek je je zwaard?!

Toen zag Reinaak wat er zou gebeuren, en hij lachte een beetje om de netelige situatie, en omdat het een genoegen zou zijn om dood te zijn; en hij snikte om het grote verdriet dat hij niet kon voorkomen; en hij bracht zijn hand naar het gevest van zijn zwaard om het verachtelijke ding te trekken en door midden te breken als hij daar de tijd voor zou hebben; maar dat had hij niet; De koning van Gonmar was helemaal uitzinnig van haat; en in een flits was het gebeurd.

Bortin veegde de kling af aan de mantel van de dode en stak het weer in de schede. Het was tien jaar te laat om te proberen overdag truckjes met hem uit te halen. Als hij zich had omgedraaid en zijn hand had uitgestoken om de appel te plukken dan zou Targarth’s zwaard nu in zijn zijde gestoken hebben, dat wist hij heel goed, en had hij de triomflach van Targath in zijn stervende oren kunnen horen klinken.

Hij liep op onverschillige manier naar de boom, want er kon nog weinig gewonnen worden door van die vrucht te eten. Hij had zijn taak volbracht; hij had verkregen waar de reis voor bedoeld was geweest; zijn druïden hadden gelijk gehad. Hij was gegaan zoals zij hem geboden hadden; en nu was zijn vijand dood, en hij kon nu Targath naar verkiezing innemen. Maar godsdienst is godsdienst; en die had zo het een en ander te zeg­gen over deze berg, en de boom en deze appels. En in elk geval, appels lessen de dorst … Hij plukte er één en at …

In het lied, in de vreugde, in de grootse heerlijkheid van het universum was er één smet, één scheur en wanklank; één wond die pijn deed; één vergiftigde plek waar vanuit zich door alles heen een pijn verspreidde: hijzelf, en wat hij gedaan had. Oh, Targath! mijn broeder: mijn broeder!

. . . . . . . . . . . . . . . . . .

Zijn roem spreidde zich over de hele wereld, en zelfs zijn onderdanen in Targath hielden van hem. Men zei dat hij een beter mens was dan de door haat verscheurde Reinaak, hun laatste inheemse koning. Nooit was er een wijzer vorst, zei men, dan Bortin de Stichter van het Wereldrijk; noch ook, de hemel wist het, één die zachtmoediger of rechtvaardiger of vriendelijker was dan hij. Noch ook, zo zeiden degenen die hem kenden, één die droeviger was.

  1. Gonmar en Targath, en hun respectievelijke koningen Bortin en Reinaak betreffen rijken uit een zeer verre oudheid, waarover verder geen informatie kon worden . Dit geld ook voor geografische it die rijken. [<<]
  2. Sesostris de Eerste was een Egyptische koning (1908-1875 voor Christus) die Egypte tot een hoogtepunt van welvaart bracht. [<<]
  3. Semiramis was de legendarisches echtgenote van Koning Ninus wan wiens troon zij opvolgde in Assyria. [<<]
  4. Nimrod was de koning van Shinar die zeker ruim voor 2000 v Chr. moet hebben geleefd. Volgens de bijbel was hij achterkleinzoon van Cush, de zoon van Noach. De bijbel vermeldt dat hij “een machtige jager was voor de heer … [en] machtig begon te worden op aarde. Niet-bijbelse bronnen brengen hem in verband met de toren van Babel, wat aanleiding gaf tot zijn reputatie als een iemand die tegen God rebelleerde. [<<]
  5. Nineveh. De oudste en grootste stad van het antieke Assyrische rijk, gelegen op de westoever van de Tigris. Het gebied van Nineveh valt nu binnen de moderne stad Mosul in Iraq (Encyclopædia Britannica). [<<]
« | Contents | »