Home » 06 Narcis

« | Contents | »

06 Narcis

Print Friendly, PDF & Email

 

Towndrow - Narcis

 

Narcis

Vurige hemelprinsen reden dagelijks naar het paleis van Koning Nuivray om Vrouwe Narcis, de schoonste van alle prinsessen van de hemel het hof te maken. Gezeten op prachtige rossen kwamen zij – de heren van de twaalf huizen, en ze droegen schitterende vaandels voor zich uit langs de Melkweg. Daar kwam de Ridder van de Dageraad, met gouden wapenrusting, gekleed in scharlaken mantel; de Prins van de Middag in volle wapenrusting van stralend saffier en als vaantjes aan zijn lans een blauw meteorenspoor: de Avond, een tovenaar uit de westelijke hemel, gewikkeld in schelproze en -blauwe vlammengewaden; de Nacht, een donkere heerser van mysterieuze vorstelijkheid en macht. Ook kwamen er vele sultans, en ook heidense prinsen en hoogheden: Aldebaran[1], drager van de sabel met het topazen gevest, die de leider is van alle legers van het firmament; Fomalhaut[2] met de witte tulband en zijn diamanten; Alpheratz[3] en Achernar[4]; Algol[5] en Algenib[6] en Alderamin[7]; Daar kwamen de grote dichters van de hemel: de eeuwig schone en jeugdige Plejaden[8] en Vega[9] met zijn gevolg, en Vindemiatrix[10]; en de broeders van Orion met ridderlijk hart die waken over de marken van de ruimte. Daar was onze Heer Marttanda[11] zelf, roem zingend, en vlammend in zijn wagen van vuur.

Geen taal die in de hemel bekend was kon de zoetheid en de schoonheid van Vrouwe Narcis beschrijven. De Plejaden waren zich wel bewust dat met al hun gave van het lied zij daaraan geen uitdrukking konden geven, zelfs niet aan een duizendste deel ervan; hoe zou dan een aardse sterveling de aura van licht om haar hoofd kunnen beschrijven van citroengele en saffranen tinten, dt scheen met een geel licht, tederder en op nog ijlere wijze weldadig dan zelfs de kurasplaat van de Ridder van de Dageraad of de gouden kroon van Aldebaran? Hoe zou men haar tedere magische wijsheid kunnen beschrijven, haar inzicht in de antieke transformaties en transmigraties van de dingen; of haar diepe onuitblusbare opgewektheid, die zelfs in de dagen toen de hel in opstand kwam de blijmoedigheid onder de sterren levend wist te houden? Niet dat men zich haar moet voorstellen als meisjesachtig en gedwee; of moet denken dat haar activiteit louter uit spinnen en borduren bestaat, of dat zij niets anders doet dan op de citer of citole spelen. Ook zij had legers geleid, door de bergen voorbij Orion; en als ze niet zelf het zwaard voerde of aanviel in haar van zeisen voorziene wagen, dan nog waren het haar druïdische toverspreuken, zo zei men, die vanaf de top van de bergen de passen zuiverden van de opdringende hel. Ik zou willen zeggen dat alleen al haar aanwezigheid een licht was dat het vermogen had om smart te genezen, om de schande van het kwaad uit te drijven; dat er rondom haar heen een sfeer ademde van bezieling, spiritualiteit en verfijning, maar ook van kracht en van het vermogen om zielen te doen ontwaken. In de saffieren zalen en in de gaanderijen van het paleis van haar vader, in de tuinen waar gentianen en ridderspoor en vergeet-mij-nietjes weelderig bloeien. Als ze alleen maar langskwam snelde er een geruis van heerlijkheid vibrerend voor haar uit en achter haar aan; de kleine sterretjes die in de bomen nestelden barstten los in een trillend gezang van vreugde. Wat mooi … wat mooi,wat mooi! zongen ze; en Wat fijn … wat fijn, wat fijn!

Nu gebeurde het dat Koning Nuivray hof hield ten tijde van Pasen en alle minnaars waren aanwezig.’ Men verwachtte dat degene die zich nu de grootste roem kon verwerven in het wapentoernooi of in de zangwedstrijd de hand van Vrouwe Narcis ten geschenke zou krijgen. Zij op hun tronen te schittieren en hun tronen zelf schitterenden; er was er niet één die niet behoorde tot de grote gevleugelde en vlammende hiërarchieën en zonder uitzondering waren ze gehuld in vuur; en er heerste opgewektheid en een stemming van wedijver; en hoewel er rivaliteit was, heerste er toch een plezierige vriendschappelijkheid en kameraadschappelijke liefde.

Toen het feest in volle gang was kwam er iemand de zaal binnen die de aandacht trok van alle aanwezigen; en ze huiverden: een ogenblik was het stil onder de turkooizen torens. Hij had jong moeten zijn, maar zag er oud en afgeleefd uit; hij zou knap van uiterlijk geweest zijn ware zijn gelaat niet was getekend door zonde, en edel van postuur en leden indien hij geen leven van verdorvenheid had geleid. Vanuit zijn twee ogen loerden twee kwelgeesten naar buiten: de ene vrees of afschuw; de andere schaamteloze brutaliteit. Omdat zijn woorden zo onbeschaamd waren toen hij vroeg om een hoge troon te midden van de Goden, grepen Rigel[12] en Mintaka[13] en Alnilam[14] en Betelgeus[15], de boogschutters van Orion naar hun bogen; onze Heer Marttanda greep zijn vlammenzwaard; Aldebaran[16] stond op en trok zijn sabel: zo’n grofheid kon hier niet worden getolereerd, zeker niet in aanwezigheid van de geelharige hemelvrouwe. Ze wachtten slechts op haar teken van toestemming –

Maar ze rees op van de troon naast die van haar vader, liep de zaal door en hield met al haar sierlijke schittering stil voor de vreemdeling. Ik denk dat hij in zijn geest een of andere schunnige opmerking voorbereidde; maar toen hij naar haar opkeek, twijfelde hij; toen boog hij, nam haar hand en kuste die nederig, op de wijze van een trouwe ridder van de hemel.

‘Als dat uw wens is, heer, verklaart u ons dan uw naam en rang,’ zei ze. ‘Ik ben de Geest van de Aarde,’ antwoordde hij.

De heren van het firmament zagen vol medelijden op hem neer; ze lieten van droefheid allemaal hun hoofd hangen; want hij was de verworpene, deugend voor niets goeds, de verrader van de hemel; hij alleen had de Wet gebroken; hij alleen ging vriendschappelijk om met duivels en bood ze onderdak. De duivels die zij, die de eeuwige wil belichaamden, eeuwig bevochten en steeds weer terugdreven over de rand van het bestaan.

‘Een zetel en een koninklijk gewaad voor de Heer Geest van de Aarde!’ beval Vrouwe Narcis.

Vervolgens deden ze hun best om hem te vergeten en het feest ging verder. De een vertelde over zijn keizerlijke status; de ander over zijn verheven avonturen; deze over zijn ver weg behaalde overwinningen; die over de moed van zijn boog; nog een ander over de onverschrokkenheid en scherpe snede van zijn zwaard. Maar toch ze spraken niet op een opschepperige manier, ook niet als zelfverheerlijking: al hun woorden waren evenals hun daden een offerritueel, een eerbetoon aan de Eenzame Onbekende. Tenslotte keerde Koning Nuivray zich tot zijn dochter: ‘Wil je nu je keuze maken?’ zei hij.

‘Nog niet,’ antwoordde ze; ‘er is nog één ridder die nog niet heeft gesproken of gezongen. De Heer Geest van de Aarde,’ zei ze, terwijl ze zich tot dat meest onbeminnelijke wezen richtte, ‘vertelt u nu uw verhaal.’

Weer bogen de hemelprinsen hun hoofd want ze konden wel raden dat ze schande en droefheid te horen zouden krijgen. Maar de Geest van de Aarde stond op en sprak.

Ridderlijke opscheppers,’ sprak hij, ‘ik ben groter dan jullie allemaal. Alleen ik doe waar ik zin in heb; ik aanbid mijzelf, ik zondig en geniet miljoenen pleziertjes.. U – wie durft het aan zich met mij te vergelijken? U gaat uw weg in gehoorzaamheid en u bent slechts de slaven van de Wet; mijn wet is mijn eigen wil; ik maak zelf uit wat voor genoegens ik wil smaken; in mijn rijk werd de boom van de kennis van goed en kwaad geplant, en ik heb van de vrucht van die boom gegeten, en ik ben wijs – ik ben wijs.

Wie van u is mijn gelijke? U soms, Heer Marttanda? Uw schittering wordt alle kanten op verspild; en zoveel ik ervan wens te ontvangen valt mij ten deel en ik kan er over beschikken om er mijn zoete uren mee door te brengen, en ik kan die de rug toe keren wanneer ik dat wil; – maar wie bewijst aan u een dienst of van wie heeft u ooit een geschenk ontvangen? Of zijn jullie het, Ridders van de Dageraad en de Middag en de Avond? Al jullie schoonheid is voor mij, voor mij. Of jullie, o dichters van de Plejaden die alleen maar de liederen zingen die jullie werd opgedragen? Hebben jullie nog niet genoeg van dat gezing? Alleen voor mij is uw muziek genoeglijk omdat ik ernaar luister als ik dat wil, en als ik geen zin meer heb hoef kan ik mij onmiddellijk op mijn eigen pleziertjes richten.’

Hier lachte hij, en zijn gelach vervulde de hemel van walging.

‘Jullie voeren jullie oorlogen in de ruimte zoals het was voorbestemd dat jullie ze zouden voeren: jullie gehoorzamen de Wet in uw oorlogvoering die voortgaat en terugkeert overeen­komstig een wil die niet de uwe is. Jullie zijn licht en kennen de duisternis niet: in een schaduwloze eentonigheid van pracht zijn jullie op weg naar een bestemming zonder voor­uitzicht op verandering. Wat betekent jullie schitterende glans die nooit meer of minder zal worden, o Heer Marttanda? Wat zijn uw liederen voor u, o Plejaden? – ze hebben niet de grootsheid van een tragedie, noch het zoete aroma van droefheid, en ook niet het vuur van de hartstocht: geen haat en geen liefde om ze te bezielen. Uw glorie en uw muziek dienen u alleen maar tot verveling; en inderdaad vervelend, Orion, is uw waakzame taak. Dat wat u bent, zult u voor altijd blijven, o jij, die de zoetheid van de zonde niet kent!

‘Maar de overwinningen van uw oorlogen doen mij niets omdat ik de macht heb oorlogen in mijzelf op te roepen. Want mijn kinderen komen op tegen elkaar, miljoenen tegen miljoenen en verwoesten en doden elkaar en steken de boel in brand; want mijn landen worden vruchtbaar doordat ze doordrenkt raken van bloed, en ook in mijn zeeën huist de plotselinge verraderlijke dood, zelfs door mijn luchten rijdt de dood!

‘Waarom zou ik jaloers zijn op uw kleurloze genoegens, ik die duistere begeertes najaag en zwelg in onbekende zonden en mij vol kan gieten met de heerlijkste genoegens die ik zelf heb bedacht en –’

Toen ontmoetten zijn ogen die van Vrouwe Narcis; en hij wankelde, liet zijn hoofd hangen en hij bedekte zijn gelaat en kreunde.

‘O Heren van het firmament, help mij!’ schreeuwde hij. ‘Jullie die mij het licht hebben gegeven dat ik ontheilig; jullie die mij ooit, lang geleden, het vuur schonken en mij een ziel gaven; jullie die niet naar beneden zijn getuimeld en niet worden gekweld door demonen, en niet zijn verscheurd zoals ik verscheurd ben, of vernederd zoals ik! Jullie met je onbevlekte ziel – ik smeek jullie om een gunst van jullie! Help mij! Laat een of andere grote krijger onder u naar mijn woonplaats afdalen om te voorkomen dat ik zal worden vernietigd door mijn eigen misdaden! Eén van u, schone Plejaden, daal neer en breng met uw gezang vrede onder mijn diep ongelukkige kinderen! Of u, Mintaka en Alnilam, met uw scherpe pijlen! U, Heer Marttanda, kom naar beneden en verdrijf met uw schittering de duivels die mij teisteren en verslinden! Vorst Aldebaran, laat het vreselijke scherp van uw sabel de afschuwelijke heerscharen van mijn zonden neervellen!

‘Want u ziet, ik ben van uw eigen geslacht, maar ik ben gevallen; mijn ziel die eens goddelijk was en ridderlijk is mij aan het verlaten en verzinkt in vergetelheid; zonde en dood en droefheid zijn mijn metgezellen; ik ben de hel; ik ben de hel!

Hij viel smekend op zijn knieën en met gebogen hoofd en huilend smeekte hij hen om hulp.

‘Wat kan ik voor u doen, broeder?’ zei onze Heer Marttanda. ‘Ik zend u mijn schit­terende stralen, en ze komen als een belediging bij mij terug; ze zaaien dood en verderf in u door de miljoenen die in uw oorlogen worden gedood. Als ik dichter bij u zou komen zou u ten onder gaan.’

‘Helaas, wat kunnen wij voor u doen, arme broeder?’ zeiden de Plejaden. ‘Wij hebben voor u gezongen, en door ons gezang hebben uw dichters het zingen geleerd; en deze heilige kennis hebben ze misbruikt om liederen van strijd en wellust te maken en verschrikkelijke liederen van haat. Wat kunnen we nog voor u doen?’

‘Wij zien toe op de veldtochten die worden ondernomen tegen de monsterlijke invasies uit de diepte,’ zeiden Mintaka en Alnilam. ‘Maar u – hebt u niet demonen aangevoerd en er voor gezorgd dat onze wacht vergeefs was? Wij kunnen niets voor u doen; konden we het maar!’

Ik kan niets voor u doen,’ zei de grote heer Aldebaran – ‘Ik, de Heer van de Oorlog ben en leider van de legers van de goden. Want eertijds werd bepaald dat het licht slag zou leveren op de duisternis en dat dit mijn oorlog in de hemel zou zijn. Maar u hebt het geheim van strijd dat was voorbestemd om iets beminnelijks te zijn van mij gestolen; en u hebt het vervalst en er iets weerzinwekkends en bloedigs van gemaakt. U hebt verzuimd u in de gelederen van uw broeders te scharen en mij te volgen naar het veld van de eeuwigheid, maar in plaats daarvan hebt u Gods werktuigen aangewend voor uw eigen genot en verwoesting. Daarom, als ik dichter bij u zou komen zouden uw oorlogen u totaal vernietigen. Uw kinderen zouden vervallen tot krankzinnigheid en elkaar tot de laatste man en vrouw afslachten.’

Aldus spraken de prinsen achtereenvolgens. Zij konden niets doen voor de Geest van de Aarde,’ Hij had gegeten van de boom van kennis van goed en kwaad; zijn lot was in zijn eigen handen geweest, en hij had gekozen voor de verdoemenis.

Toen verrees hun gastheer, Koning Nuivray van zijn troon om hun algemene oordeel over hem uit te spreken. ‘U bent hier binnengekomen met onbeschaamdheid op uw lippen,’ zei hij; ‘en u hebt in de Hemel gebluft met uw laagheid en u hebt de schoonheid van de hemelse gebieden bezoedeld. Ga weg: uw zonden hebben u verdoemd; er is geen hoop voor u. Er is niemand in de hemel die met u mee zal gaan, en ook niemand die u zou kunnen redden indien hij ging.’

‘Ja, er is er één,’ riep Vrouwe Narcis. Toen ze sprak, waren de turkooizen torens plotseling vervuld van licht en lieflijkheid, zoals niemand ooit tevoren had aanschouwd. ‘Ja, er is er één,’ zei ze. ‘Arme Geest van de Aarde, er is hoop voor u.’ Ik zal met u meegaan.’

De Heer Marttanda hulde zijn pracht in droefheid. De Plejaden weenden in stilte, en van toen af klonk er droefheid in hun lied gedurende zeven eeuwen. ‘O nee!’ riep Sultan Aldebaran; ‘onze vaandels kunnen het niet zonder uw straling en schittering stellen; ter wille van u, o Narcis, zijn wij gehouden de triomf te zwaaien over de bolwerken van de hel!’

Maar de Geest van de Aarde verhief zijn hoofd en keek naar haar en in zijn ogen lag een uitzinnige hoop; en meteen daarna een ellendige, maar alles bij elkaar toch nobele wanhoop.

‘Nee,’ zei hij, ‘u niet!’ Waar zo’n afschuwelijke zonde heerst, is geen plaats voor u. U zou niet kunnen leven in mijn woonplaats; de jaloerse dood waart daar en zou u uit begeerte naar uw schoonheid meteen neerschieten. Ik heb geen macht tegen de dood; ik kan u niet tegen zijn pijlen beschermen. O schoonheid, schoner dan alle schoonheid in de hemel, kom niet! Liever nog ga ik alleen verder in mijn vervloeking en verga ik volledig.’

Mijn vader,’ zei ze, in alle kalmte. ‘Ik vraag de waarheid van u. Ik wil door uw lippen het lot horen uitspreken. Kan ik, als ik met hem mee ga, de Geest van de Aarde redden?’

Ze stonden allemaal op van hun zetels om het lot te horen spreken door de koning.

‘U kunt hem niet redden,’ zei hij. ‘Er is onder ons geen god in de hemel die hem zou kunnen redden. Hij heeft gegeten van de vrucht van de boom, en er is niemand anders die hem kan redden dan hijzelf. Toch, als u zou gaan zou er hoop voor hem zijn; en met die hoop zou hij uiteindelijk zichzelf kunnen redden. Maar in het koninkrijk van de dood zou ook u sterven.’

Zeg,’ zei ze, ‘wat betekent dat, “sterven”?’

‘We weten het niet zo goed,’ zei de koning; ‘we kunnen er alleen maar naar gissen.

Ik denk dat het zou betekenen dat u uzelf verliest, uw wezen; om iets heel kleins en machteloos te worden, zonder gedachte of kennis, zonder herinnering of het vermogen om vooruit te zien.’

‘Ik zal meegaan met de Geest van de Aarde,’ zei ze.

’s Morgens vertrokken ze samen; en onderweg praatte ze tegen hem in woorden van voorname druïdische wijsheid – er ging een machtige magie van uit; zodat hij zich herinnerde hoeveel hoop hij in zijn jonge dagen had gehad, en hij herinnerde zich de schoonheid van zijn jeugddromen. Visioenen van schitterende overwinningen rezen voor op voor zijn geestesoog. Geïnspireerd en gesterkt door haar stralende kameraadschap zou hij zijn huis volledig van kwaad kunnen zuiveren; dan zou hij uit kunnen rijden onder de vaandels van Aldebaran en God kunnen eren met edele daden langs de grenzen van de ruimte. En hij hield van haar zonder enige bijgedachte aan zichzelf; niet zoals een man van een vrouw houdt maar zoals een dichter kan houden van een droom of een ster; hij legde voor zichzelf de gelofte af dat hij haar voor altijd zou vereren en haar met zijn eigen lichaam tegen de pijlen van de dood zou beschermen. En terwijl zij met hem door het blauwe hemelrijk reed was hij opnieuw de Ridder van de Hemel die op avontuur af ging: hij kende zichzelf als een god.

Ze kwamen in het rijk van de avond, en toen ze naar beneden keek zag Vrouwe Narcis ver beneden zich de purperomzweemde bergen van de aarde, en de gouden en rozeachtige meren bij de ondergaande zon, en valleien die verblijven van rust en vrede leken.’

‘Maar uw koninkrijk is in alle opzichten lieflijk,’ zei ze.

U hebt de woonplaatsen van de mensen nog niet gezien,’ antwoordde hij. Zij daalden verder en verder af, en passeerden de grenzen van het rijk van de nacht. ‘Wat scheelt, u, prinses?! zei hij, met bevende stem.

‘Ik voel me een beetje mat,’ zei ze. ‘Er is hier iemand –’

‘Ha, Aarde, mijn praatjesmaker, wat voor nieuw liefje heb je meegebracht?’

‘Weg, jij dood!’ schreeuwde de Geest van de Aarde, terwijl hij naar voren sprong om de pijl als hij kon in zijn eigen borst op te vangen. Maar de Dood lachte hem uit terwijl hij schoot, en vervolgde zijn weg met een honend gelach.

‘Maakt u zich hier nooit bezorgd over, zodat u er ontmoedigd door zou kunnen raken, fluisterde ze. ‘Begraaf me in de lieflijkste van uw valleien; zoek een grasheuvel met druïdenstenen en begraaf mij daar onder het gras; morgen zal ik een teken doen verschijnen dat ik altijd aan uw zijde ben en dat er altijd hoop voor u is. Dus ik zeg u geen vaarwel ….’

Hij droeg haar lichaam naar beneden naar de lieflijkste van zijn valleien en groef een graf voor haar in de heuvel, en wachtte bij het graf tot het ochtend werd. En toen de zon op kwam vond hij een bloem die bloeide boven het graf, lieflijker dan alle bloesems in de hemel waar hij was geboren.’ Hij boog zich voorover en kuste eerbiedig de gele pracht en glorie van de bloem; en hoor, de bloem had hem iets te vertellen en fluisterde: ‘Zolang ik bloei, zult u niet vergaan; als u mij ziet, moet u er aan denken dat er nog schoonheid en hoop voor u is; ik ben uw teken en verzekering dat u eens zult behoren tot de grootste van de hemelprinsen’

En die ochtend vonden de druïden bloeiende narcissen rondom hun heilige kring. ‘De hemel heeft een of andere grote overwinning behaald op de hel,’ zeiden zij.

  1. Alpha Tauri, reuzenster in het teken Stier. [<<]
  2. Fomalhaut  of Alpha Piscis Austrini: Formalhaut is Arabisch voor ‘mond van de Zuidelijke Vis. Hij is de helderste ster van het sterrenbeeld de Kleine Vis (niet te verwarren met het sterrenbeeld Vissen.) en een van de helderste aan het firmament. [<<]
  3. Alpheratz of Alpha Andromedae  is de helderste ster in het beeld Andromeda. Hij bevindt zich op ca 97 lichtjaar van de Aarde. [<<]
  4. Achernar (van het Arabisch voor ‘eind van de rivier’ of Alpha Eridani is deel van een binair system, en de helderste en meest blauwe ster in het sterrenbeeld Eridanus. Hij is de tiende helderste ster aan de hemel. [<<]
  5. Algol of Beta Per(sei) staat bekend als de Duivelsster, een heldere ster in het sterrenbeeld Perseus. Hij is een van de bekendste eclipterende dubbelsterren. Eigenlijk is Algol een system van drie sterren, en bevindt zich ca. 90 lichtjaar van ons vandaan. Astrologisch en historisch is en was de ster in een breed scala van culturen verbonden met bloedig geweld. De middeleeuwse Arabische commandanten zorgden ervoor dat geen belangrijke veldslag begon als het licht van deze ster zwak was. [<<]
  6. Algenib (van het Arabisch al-janb, “de flank” is Gamma Pegasi, in Pegasus, op zo’n 390 lichtjaar afstand, of het is Alpha Persei, naast Algol die Beta Persie is. [<<]
  7. Alderamin of Alpha Cephei, in Cepheus is zichtbaar nabij de Noordpool, en bevind zich op slechts 49 lichtjaar van de Aarde. Alderamin (Arabisch) betekent ‘rechterarm’. [<<]
  8. De Pleijaden of Zeven Zusters is een open stercluster in het sterrenbeeld Stier. In de Oekraïense folklore zijn ze verbonden met het zingen van de glorie van de goden. [<<]
  9. Vega, afgeleid van het Arabisch voor ‘vallende ster in de Gier (sterrenbeeld Lyra)’ Vega is de vijfde helderste ster en slechts 25 lichtjaar van de Aarde verwijderd. 12000 jaar geleden en 14000 jaar in de toekomst is Vega de poolster. [<<]
  10. Vindemiatrix (de Druivenplukster) of Almuredin of Alaraph is Epsilon Virginis in het sterrenbeeld Maagd. Hij is als stertype een gele reus en bevindt zich op ruim 109 lichtjaar afstand. [<<]
  11. Mārt(t)aṇḍa is de Zon in de Vedische mythologie, of een van de zonnegoden. [<<]
  12. Rigel, Beta Orionis, is de helderste ster in het sterrenbeeld Orion ‘rechtsonder’ en de zevende helderste ster aan de nachtelijke hemel. [<<]
  13. Mintaka, Delta Orionis, is a meervoudige ster op ongeveer 1200 lichtjaar van de aarde in Orion. De naam Mintaka komt van het Arabische manṭaqa, wat ‘de gordel’ betekent. Samen met Alnitak (Zeta Orionis) and Alnilam (Epsilon Orionis) vormt Mintaka de gordel van Orion. [<<]
  14. Alnilam (Zeta Orinis) Een van de drie sterren van de gordel van het sterrenbeeld Orion. In het Arabisch betekent Alnilam ‘guirlande van parels’. De ster is van het type ‘blauwe reus’, en bevindt zich ongeveer 1350 lichtjaar van hier. [<<]
  15. Betelgeuse of Alpha Orionis, ‘de hand van Orion’ is een pulserende ster. Hij is de negende helderste ster aan de hemel en de op een na helderste (na Rigel) van Orion. Deze bevindt zich ‘rechts boven in Orion, op ca. 643 lichtjaar afstand. [<<]
  16. Aldebaran of Alpha Tauri, is een reuzenster op 65 million lichtjaar van de aarde in het teken Stier. Astrologisch gezien is hij een geluksster die rijkdom en eer brengt. [<<]
« | Contents | »