Home » 05 De roos en de bokaal

« | Contents | »

05 De roos en de bokaal

Print Friendly, PDF & Email

Iram met al zijn rozen verdween,

En ook de beker van Jamshyd[1] met zeven ringen,

niemand weet waarheen.’

Rozen en rozen en nog eens rozen; de tuin was overstelpt van hun stralende mysterieuze pracht. Ik denk niet dat iets in de Tuin van Iram[2] of in al-Jannat[3] zelf ermee kon worden vergeleken. Rozen met bleke achterover buigende bloemblaadjes als de overslaande golven in de zee, of als de rand van een schelp, met een weergaloos roze kern. Je kon er rozen zien met amberen en abrikooskleurige harten en rozen witter dan de sneeuwvelden van Qaf[4], omhoog geworpen aan bloeiende takken – zo eindeloos zuiver; verrukkelijke rozen die golvend over het houten hekwerk van de pergola’s hingen; karmozijnrode rozen staken vlammend af tegen het donkere groen van de cipressen – roder dan robijnen, roder dan wijn, wonderbaar adellijk en diep – niet opzichtig met hun schoonheid pronkend, maar teruggehouden in een verborgen trots die, door de verheven intensiteit van hun dromen, hun geheime kennis, verwant was aan mededogen. …

Die rozen waren de enige betrouwbare raadslieden en vrienden die de koningin had. Ze stond midden tussen hen in, in de tuin op een plek die was versierd met lijsten van gebeeldhouwd marmer. Boven haar hoofd hing een weelderige kroon van gele rozen. Zie die jonge vrouw daar staan, de roos aller rozen in de rozentuin, zelf van een schoonheid die was voortgekomen uit de zon en de geurige nachten van slechts achttien Perzische lentes – meer niet. Haar ogen glansden donker – echter met nog iets meer dan alleen zachtheid erin. Uit de houding van haar mooie hoofd spraken kracht en trots; maar samen met die trots – bescheidenheid, zou men zeggen; en die kracht – deze was de kracht van onpersoonlijkheid. …

Het was een pijnlijke last die op haar schouders rustte, dit koningschap – in een koninkrijk dat haar was nagelaten door haar overleden echtgenoot om in beheer te worden gehouden voor hun nog ongeboren zoon. Een overgeciviliseerd koninkrijk waar men zich bezighield met het najagen van luxe en plichten op de tweede plaats kwamen; een stad met witte paleizen en moskeeën en lieflijke tuinen die vertrouwde op een leger van Turkse huurlingen, een stad waar men zich verdrong rondom al te slimme dichters die elkaar onder een glas wijn trachtten te overtroeven in zoetvloeiend en afgunstige ruba’i of ghazals; een stad zonder patriottische trots, deugd of heldhaftigheid. Ze wist dat de stad onverdedigbaar was, en behalve die Turkse huurlingen niemand op wie ze kon vertrouwen. En die huurlingen – het zou van een sterke koning alle energie hebben gevergd om het gezag te handhaven. Ze had er vijfhonderd in loondienst: vijfhonderd teveel voor vrede; honderdduizenden te weinig voor oorlog – en wel in het bijzonder voor zo’n oorlog als er nu dreigde.

Het was minder dan een jaar geleden sinds ze van haar voorouderlijk kasteel in de bergen hierheen was gereisd om de bruid te worden van een jonge krijgshaftige koning die ze nooit tevoren had gezien: een huwelijk echter dat van het soort bleek te zijn dat in de hemel al wordt gesmeed. Onmiddellijk waren ze elkaars geliefden en kameraden geworden en ze voorzagen schitterende dingen die zij samen zouden doen: overwinningen die ze zouden behalen, en niet alleen naar buiten toe; zij zouden hun volk als het ware opnieuw geboren doen worden. Binnen zes maanden na hun huwelijksdag was hij gestorven; en hij liet haar achter onder bescherming van een sluwe minister die ze niet mocht, en van de Turkse wachten — en afhankelijk van de tedere genade van de verschrikkelijke Mahmud van Ghazni.[5] Die tedere genade begon nu snel vaste vorm te krijgen: en dat was het zwaarste deel van de last – misschien. Met haar vijfhonderd Turken moest ze weerstand zien te bieden tegen die Wereldschokker – die Turk onder de Turken, de grote dondersteen van God – tenzij er een middel gevonden kon worden om hem tevreden te stellen.

Zo was het gekomen:

Zo groot als Mahmud was onder koningen, zo was Abu Ali ibn Sina[6] onder de filosofen; en gedurende de maanden dat de koningin getrouwd was geweest had dit briljante ornament der tijden zich verwaardigd de luister van zijn aanwezigheid te doen schijnen over het hof van haar man. Het was een licht dat niet onder de koren­maat gezet kon worden, en hij was even beroemd als Mahmud zelf; waar Ibn Sina zich bevond, daar was de intellectuele hoofdstad van de wereld. En Mahmud kon het idee niet verdragen dat zijn Ghazna[7] op welk gebied dan ook op onder zou doen voor enige andere stad ter wereld. Hij zelf was de Zon van de Eeuw. Laat allen hun straling aan de zijne toevoegen.

Hij wenste Ibn Sina zélf; wat hij wenste dat vroeg hij; en wat hij vroeg, zou hij krijgen. De vierhonderd dichters van Ghazna die goedschiks of kwaadschiks bijeen waren vergaard uit alle hoeken van de islamitische wereld waren daarheen gelokt met de paarlen en het goud van barbaren, of binnen gehaald als vertroetelde gevangenen van veroverde koninkrijken. Maar ze bezaten niet de kracht om de tand van afgunst die aan het hart van hun meester knaagde minder scherp te maken zolang Ibn Sina de Grote aan een hof of in een stad elders verbleef. Dichters – ta! – hun vernuft en gekibbel waren werkelijk amusant; het deed je zin voor praal goed om ze te onderhouden, ze uit te dossen, ze tegen elkaar op te zetten en indien nodig eens af te ranselen, of ze vol te stoppen met goud; het was iets om trots op te zijn – net zo trots als op de verovering van India – dat men er twintig maal twintig van hen in goeden doen binnen zijn paleis had. Bovendien waren zij degenen die vleierijen dichtten, en zonder hen zouden die niet lang in stand blijven. Ieder hof in Iran had er een dozijn of meer vn zulke dichters n dienst; en hij had zijn boven alle andere dichters verheven Firdausi[8] verloren.

Ibn Sina daarentegen was uniek. Dat hij een dichter was, en ook nog een van de geestigste, was nog de minste van zijn talenten. Er was geen wetenschap waar hij niet in thuis was, inclusief de Geheime Wetenschap. Van China tot Andalusië was er niemand die maar kon bogen op een tiende van de faam die hij had. Hij was de meest kundige van alle artsen; en – sinds Aflatun[9] en Aristu[10] – de grootste op het gebied van filosofie. Al met al een onovertroffen persoonlijkheid met een weelderige en extravagante levenswijze, prinselijker dan die van prinsen, en omringd door talloze leerlingen voor alle onder­werpen die hij te berde bracht. Hij was een blijmoedig en briljant mens die binnen zijn hoge standaard van leven toch nog tijd vrij kon maken om een stortvloed van boeken over de wereld uit te strooien, tienmaal zo diepzinnig, tienmaal zo fonkelend en in aantal tienmaal zo groot als welke tien andere denkers dan ook tezamen zouden kunnen voortbrengen. Zeker, men zou heel het veroverde Hindoestan in ruil kunnen geven voor Ibn Sina en dat een goede ruil vinden: die man te bezitten zou Mahmud’s roem nog doen stijgen. Mahmud had zijn afgezanten uitgezonden met rijke geschenken en een boodschap die niet was mis te verstaan: Ibn Sina diende zich onmiddellijk op weg naar Ghazna te begeven.

De koning en de koningin ontboden de filosoof en lieten Mahmuds afgezanten hun boodschap direct overbrengen. Er was in die dagen naar alle waarschijnlijkheid maar één man in de Islamistische wereld – althans in het Kalifaat van Abbassid[11] bevelen in de wind zou durven slaan, en dat was Ibn Sina. In het geval van een minder grote geest zou men die lichtzinnige uitdading kunnen toeschrijven aan opgeblazen ijdelheid en men zou kunnen denken hij zelf het slachtoffer was geworden van zijn eigen voortdurende schittering en succes. Maar je hebt Ibn Sina niet begrepen als je in hem niet een wonder van de natie ziet, en bij hem was geen plaats voor gevlei of angst: hij keek van nature op wereldveroveraars neer als op het stof onder zijn voeten – en hij liet niet na hen dat ook te zeggen. Hij deelde de afgezant in alle rust mee dat het hof van zijn meester geen plaats was voor mannen van de geest: ze zouden daar geen goed werk kunnen verrichten. Zelfs hier in Iran waren veel te veel Turkse soldaten om een beschaving waardig te zijn; laat staan dat hij zich zou gaan verdrinken midden in de oceaan van het Turkendom en de slaaf worden van de zoon van de slaaf van een slaaf[12]. Laat Sultan Mahmud zich bedenken hoe hij Firdausi heeft beledigd; en ook wat al-Biruni moest ondergaan omdat tot tweemaal toe zijn profetie was uitgekomen; laat hem de hoop opgeven om op gelijke voet te kunnen verkeren met zijn meerderen.

Met dit alles stemde Koning al-Ka’us van harte in; en voegde daar nog de nodige van zichzelf aan toe om de toehorende Ghaznewid te pesten. Trotse jonge luipaard van een prins als hij was, had hij zich al ingespannen om de vredesbanden met het oosten te verstevigen: Mahmuds ambities begonnen ondraaglijk te worden voor koningen van wil en geest …’ Dit was uiteraard niet minder dan een oorlogsverklaring; een oorlog, waarvoor hij, al-Ka’us, zoveel Turken uit Turan tot zijn beschikking kon krijgen als hij maar wenste: snelle onbevreesde boogschutters en speerwerpers van de uitgestrekte vlaktes. Negen op de tien onder hen koesterden al een diepgewortelde haat tegen de zoon van Sabuktigin. En hij zou ontzag bij hen hebben kunnen inboezemen en hen kunnen aanvoeren – tot de overwinning? Het viel niet te zeggen; niemand behaalde ooit een overwinning op Mahmud; en toch, zolang Mahmud leefde was er toch altijd een kans. Tenminste op een eervolle nederlaag — De sultan had op dat moment bezigheden in India: namelijk de wapenfeiten van Iskander[13] van weleer te overtreffen en rijken in te nemen op een manier waarop je rijpe druiven inslikt; hij kon op dat moment niets anders doen dan al-Ka’us’ belediging slikken en zichzelf beloven dat het uur van die Perzische prinsjes zou slaan – en wel binnenkort. En nu was dat moment ongetwijfeld nabij. Al-Ka’us was gestorven voordat Mahmud in Ghazna was teruggekeerd en nog een maand voordat het bericht was aangekomen: Lever Ibn Sina uit en betaal zo en zoveel aan schatting of u kunt verwachten dat mijn legers het stof van uw stad zullen wegdragen. Wat kon zij doen? Ibn Sina had hen al voor de dood van haar man verlaten, anders zou die verschrikkelijke slag haar niet hebben getroffen: de grote arts zou al-Ka’us zeker hebben genezen; en wat betreft de schatting die hij eiste, er was in heel Iran en Turan niet zoveel goud. Zou ze vluchten en het koninkrijk aan Mahmud laten?

Ze dacht aan haar gestorven echtgenoot, en aan zijn ongeboren zoon en wees het idee als ondenkbaar van de hand. Vechten? – ach, maar hoe? Wat kon de aanvoerder van haar Turken, Oghlu Beg, zelfs al nam je aan dat hij en zijn mannen haar trouw zouden blijven, met hun vijfhonderden beginnen tegen de honderdduizenden van de Ghaznewid? En zelfs al had ze een leger, haar minister Hussein al-Ajjami, zou, dacht ze, het wel op een akkoordje gooien met Mahmud en hij zou zonder gewetenswroeging haarzelf, haar zoon en haar koninkrijk aan hem verkopen. Ze beantwoordde de brief van de Sultan aldus:

‘De wijsgeer Abu Ali ibn Sina heeft ons hof reeds lang verlaten en hij bevindt zich nu te Merv of Ray of Samarcand – wij weten niet precies waar. Sultan Mahmud is een machtige kampioen van het Geloof, een zeer machtig vorst en ook een man van eer; het is zeker, dat als hij zijn legers hier heen leidt, dat ook ik, een zwakke vrouw, zal pogen strijd tegen hem te leveren; laat hij zich dan bedenken wat voor soort overwinning hij zou behalen. Als de overwinning aan mijn zijde zou zijn, zou dat voor mij een triomf zijn tot aan de Dag des Oordeels; als de overwinning de zijne is zullen de mensen zeggen, ‘Hij heeft slechts een vrouw verslagen.’ En hoe een oorlog afloopt, dat ligt in handen van God: niemand kan van tevoren weten wat het resultaat zal zijn. Voer oorlog dan tegen de sterke, en in de overwinning zal diens kracht aan de uwe worden toegevoegd; maar schenk de hand van uw verheven vriendschap aan de zwakke: zo zal men uw grootmoedigheid loven en uw faam zal duurzaam zijn. Wij verwachten uw vriendschap, mijn geëerde Sultan; want onontkoombaar zijn wij zwak.

Maar wij zullen dit koninkrijk niet opgeven ter wille van u, daar het niet ons toebehoort, doch het eigendom is van, Hasan Ali ibn al Ka’us, die nog niet geboren is. Nochtans, wetende dat de Sultan wijs is en vriendelijk, zijn wij niet bezorgd wat deze zaak betreft, en blijven kalm en in vertrouwen.’

Ze had hierop geen antwoord ontvangen; maar ze wist dat Mahmud onderweg was. Ze dacht er over na hoe ze een leger bij elkaar kan krijgen om hem tegenstand te bieden. Ze klapte in haar handen om een slaaf te laten komen en ontbood de minister.

Hij had dat ambt al bekleed tijdens het bewind van de vader van haar man, deze Ajjami: en hij had zich toen de vermogens van de oude koning taanden op duizend manieren van zijn macht verzekerd. Hij was altijd erg slim geweest. Als hij ook maar ergens van de eervolle dienst afgeweken zou zijn wist zelfs binnen zijn eigen huis­houden niemand daar met zekerheid iets vanaf. Al-Ka’us had hem willen ontslaan, maar stierf voordat de gelegenheid zich voordeed; nu was de koningin op hem aangewezen. Als ze al geen groot vertrouwen in hem stelde, op wie anders kon ze dan nog vertrouwen? Hij had een en al nederigheid getoond tegenover haar en hij was naar zij vermoedde in alle opzichten een stootkussen tussen haar wil en de uitvoering ervan. Een knappe oude man van zo’n zestig jaar; beschaafd, vriendelijk, met een witte baard en een haviks­neus: het zou een nobel gezicht hebben kunnen zijn ware het niet dat er een scherp­zinnige stilte in zijn ogen lag die in lichte mate zijn egoïsme en geslepenheid trachtte te verbergen, en een zinnelijke volheid van de onderlip. Zijn kracht lag in intrige, in volharding, in een onverstoorbare en perfecte minzaamheid; en ook in wilskracht die jarenlang onder de oppervlakte kon voortwoekeren zonder gestelde oogmerken ooit op te geven.

Na het begroetingsprotocol begon ze hem vragen te stellen. Waren de koeriers uitgereden? Wat voor berichten waren er binnengekomen? Waren de mannen uit de provincies bezig zich te verzamelen? Met hoeveel waren ze? Ach – maar hier moeten we voorzichtig te werk gaan, zei hij; we moeten goed nadenken voordat onherroepelijke stappen genomen worden die tot een even onherroepelijke catastrofe leiden. Mahmud en zijn troepen kwamen steeds naderbij en er kon nauwelijks verweer tegen hem worden geboden. De snelheid waarmee hij marcheerde, de verschrikking van zijn naam en zijn lange traditie van onoverwinnelijkheid, met al deze feiten diende rekening te worden gehouden. De stemming onder de adel van het hele land – die hij, haar slaaf, zo nauwkeurig had getest – was dat, sinds de koning dood was —

Hier viel ze hem in de rede om hem er aan te herinneren dat de koning, hoewel ongeboren, aanwezig was.

Hij boog zich diep; leek een beetje ontdaan – vol takt, als iemand die pijnlijke onderwerpen wil vermijden. Dit soort zaken waren in Gods hand; wie kon bouwen op de onzekerheden van het lot? Toen sloeg hij een andere weg in, en sprak over haar schoon­heid; o, met takt – zeer tactvol! Hij wees erop, waarbij hij niet faalde duidelijk te maken wat hij bedoelde – en verschrikkelijk realistisch – wat het effect van die schoonheid zou zijn op Mahmud. Wie kon aan de waarheid van zijn woorden twijfelen? Het koninkrijk zou geannexeerd worden; zij zelf zou worden meegenomen naar Ghazna, naar de harem van de Sultan en haar zoon zou na zijn geboorte tot slaaf gemaakt worden of worden gedood. In het beste geval zou hij opgroeien tot de onbeduidende figuur die Mahmud van hem verkoos te maken — ‘En wat is uw advies, o Ajjami?’ zei ze, en ze wist dat er kwalijke woorden gesproken gingen worden. Zijn advies was gekleed in een taal van uiterst eerbiedige toewijding. Vele prominente en invloed­rijke mannen hadden het idee bij hem geopperd; mochten zijn woorden die het bekend moesten maken paarlen van bescheidenheid, robijnen van liefde zijn! Het hield in dat er in een koning voorzien zou moeten worden; want zonder een koning zouden onverschil­ligheid en ongerustheid heersen onder het volk, en in toenemende mate; een koning, rondom wie het volk bijeen­gebracht zou kunnen worden en met wie, wellicht, de zoon van Sabuktigin zich zou ver­waardigen te onderhandelen. Laat haar dan haar slaaf tot de troon verheffen, zodat hij Mahmud als koning tegemoet zal kunnen treden: zodat de straling van haar eigen schoonheid, verborgen zal blijven voor de vurige blikken van de Wereldveroveraar. …

Ze werd er koud van toen ze naar hem luisterde en zij onderdrukte een aversie waar ze misselijk van werd, beheerste haar gezicht en stem en antwoordde hem. Ze was nog maar twee maanden weduwe zei ze; en haar hart verlangde meer tijd om te rouwen. Intussen zou ze het plan in overweging nemen, dat een wijs plan leek of dat misschien weldra het beste zou lijken te zijn. En ze vond grote troost bij de gedachte dat deze man, die haar diende en trouw was, ook haar geliefde man al-Ka‘us had gediend en trouw was geweest, en ook al-Amin, de vader van al-Ka’us. Ach, van hoe grote waarde waren eer en trouw! Niet de rijkdommen van het koninkrijk, noch het koningschap zelf zouden daartegen enig gewicht in de schaal leggen op de dag dat Munkar en Nakir[14] zijn graf zouden openen: wanneer zijn vrienden zouden vragen welke rijkdommen hij had achtergelaten; de engelen daarentegen zouden vragen naar wat voor goede daden hij had gedaan. Ze wist dat ze erop kon vertrouwen dat hij niets achterwege zou laten dat de veiligheid van zijn prins ten goede kon komen. Zo verliet hij haar terwijl hij haar verzekerde van zijn toewijding, en hij ging heen om zijn plannen verder uit te werken. Ze kon er op vertrouwen, veronderstelde ze, dat hij haar aan Mahmud zou verkopen.

Ze wandelde tussen haar vrienden de rozen; misschien zouden die haar wat troost of goede raad kunnen influisteren. … “Bij Allah! moest ze werkelijk deze afschuwelijke prijs betalen? Mahmud, of al-Ajjami. … Hem enigszins kennende geloofde ze zeker dat de minister slim genoeg zou zijn om haar voor zichzelf in veiligheid te stellen als zij in zijn voorwaarden toestemde: hij won zijn veldslagen misschien nog onvermijdelijker dan Mahmud. Maar wat zou hij met haar zoon doen? Ze huiverde. Wat haarzelf betreft zou ze nog eerder de harem van de Gaznewid … maar ook dan, het ging om haar zoon — De witte roos strekte zijn bloeitakken naar haar uit; die met de abrikoos­kleurige harten wuifden haar hun geur toe; de struik met de scharlakenrode rozen streelde geholpen door een zuchtje wind haar wang met zijn meest koninklijke bloem en werd door die aanraking bedauwd met een traan. Wij beiden zijn Koninginnen in Iran! fluisterde zij.

Nee, ze zou de prijs niet betalen. Daar was Oghlu Beg, de kapitein van de veiligheidsdienst. Men kon van hem op aan zolang hij werd betaald; — ze zou een schikking met hem treffen wat betreft de inhoud van haar schatkist, en zelf uitrijden te midden van zijn Turken om de dood te vinden op het veld. Dan zouden zij en haar zoon samen al-Ka’us weerzien in het Paradijs; en ze wist dat al-Ka’us daarmee in zou stemmen. — Ze liet de Turk komen.

‘Oghlu Beg,’ zei ze, toen de zwaargebouwde man voor haar stond, ‘uw kostwinning is gebaseerd op uw reputatie van trouw en moed. U hebt uw loon ontvangen van mijn man en van mij; en dat zal verdubbeld werden als u me nu op goede wijze dient. Verdubbeld?­ Vraag mij mijn hele schatkist, indien u Mahmud ibn Sabuktigin hebt verslagen.’

‘Mevrouw,’ zei hij, op de moeizame wijze van iemand die traag van geest is, ‘dat zou onmogelijk zijn zonder een groot leger te vormen. En ik zou dat kunnen doen, zelfs nu, als ik daartoe het gezag had. Maar het zou een groot risico zijn; de slavenzoon uit Ghazna is vermaard en gevreesd. De mannen van Turan[15] zouden niet afkomen op een vaandel minder dan dat van een koning. En ik zou ook voor iets beters dan geld willen dienen. Ik hou van u; maak mij koning, en ik zal met u meegaan en een leger verzamelen dat zelfs Mahmud met hoop tegemoet kan treden. Anders is het duidelijk dat ik mijn zwaard aan de Ghaznewid moet aanbieden; het zou weinig voordeel opleveren om dat ergens anders te doen.

Zulke dingen gebeurden steeds weer. Turkse gezagvoerders stichtten vele dynastieën in Perzië en beschermden dan kunst en letteren even energiek – zo niet even intelligent — als zij hun veroveringen doorvoerden. Deze trage, zwaargebouwde krijgsman met zijn O-benen wekte met al zijn toegegeven bereidheid om zichzelf en zijn mannen aan de vijand te verkopen niet de angst en afschuw die ze voelde bij de avances van haar eigen, zo beschaafde landgenoot. Zijn botheid was beter dan de takt van de minister: het was zijn beroep om zich te verkopen en hij zou dat ook doen; maar hij had een moraal die hem er van zou weerhouden haar te verkopen.

‘Is dit uw enige voorwaarde?’ vroeg ze.

‘Dit is de enige voorwaarde,’ antwoordde hij. ‘Niet alleen omwille van mijn liefde, maar ook met het oog op wat mogelijk is. Op geen andere wijze zou ik een leger bij elkaar kunnen krijgen.’

‘En u wilt niet met mij oprijden tegen Mahmud met het leger dat u nu ter beschikking staat – en daarvoor in ruil mijn rijkdommen ontvangen?’

‘Doden genieten geen weelde,’ zei hij. ‘Het is de enige voorwaarde.’

Dan was alle hoop verloren, en ze zond hem weg. Maar ze kreeg een ingeving voor hij uit het gezicht verdwenen was, en ze riep hem terug.

‘Voordat u hier kwam, Oghlu Beg,’ zei ze, ‘was minister al-Ajjami bij me. Ook hij

had een voorstel; en het plan was hetzelfde als het uwe. Ook hij wenste koning te worden, en mijn echtgenoot.’

‘Moge zijn bed in de hel worden gespreid! gromde de Turk. ‘Ik zal u zeggen,’ zei ze, ‘mijn man de koning was geen man zoals alle andere; en geen enkele man zal van mij krijgen wat hij had. Ik zal niet met al-Ajjami trouwen, o Oghlu; en ik zal niet trouwen met U. Daarom, ga naar Mahmud met uw mannen en dien hem tegen betaling zoals u mijn heer en mij hebt gediend. Maar ik zal u om een gunst vragen voordat u gaat.’

De Turk boog zijn hoofd:

‘Blijft U hier tot de Ghaznewid aan de poort staat; ga dan naar hem toe. Ik wens uw bescherming tegen Al-Ajjami.

Hij had niet veel meer gevoel voor beeldspraak dan een hond. Waar een ander gezegd zou hebben ‘O Maan van Wonderbaarlijkheid’ of ‘O tulp uit de bloemperken van het Paradijs’, kon hij niets ander uitbrengen dan ‘ik blijf’. En ik zal u beschermen tegen deze zoon van Iblis[16]. Dan, denkpauze: ‘En ik zal niet naar Mahmud gaan. Als het uw wilt zal ik u daarheen brengen waar Mahmud niet komt; naar Egypte, Afrika of naar Spanje. En niemand zal u kwaad doen onderweg: noch ik noch iemand anders.’ Maar de Koningin had er geen idee in om waar dan ook heen te vluchten.

. . . . . . . . . . . . . . .

Die nacht gebeurden er twee dingen. Ten eerste: de boodschapper keerde terug van Mahmuds kampement en bracht rapport uit. De sultan had gelachen om de brief van de koningin. Binnen een week zou hij aan de stadspoorten staan. Ze verwacht onze vriend- schap’ zei hij ‘omdat ze niet kan ontkennen dat ze zwak is. Vertel haar wat de prijs van onze vriendschap zal zijn’ – hier had hij om zich heen gekeken voor een suggestie ‘Wat moet het zijn, dichters?’ Een van hen had een bedrag genoemd dat totaal belachelijk was, en een ander had het verdubbeld; en een derde, begiftigd met meer fantasie, had geroepen, ‘De Beker van Jamshyd!’ – ‘Stop zijn mond vol met robijnen!’ riep de Allah-ademende heer; ‘de Beker van Jamshyd zal het zijn. Als de koningin ons die stuurt, zal ze onze vriendschap hebben tot haar dood of de onze; maar indien niet, dan — Niet voor niets had Mahmud de oude legenden verslonden waarop Firdausi het grote heldendicht dat hij voor hem had gemaakt baseerde: waarin de Beker van Jamshyd veraf en op mystieke wijze glansde, de Graal en oppermachtige talisman van oude tijden, van vóór de Arabieren, voor de Sassanieden[17] met zijn leger tegen de Grieken ten strijde was getrokken. Zijn voorwaarden waren een grap; er waren geen voorwaarden; hij wenste buit, en de grondige uitwissing van de belediging die hij van al-Ka ‘us en Ibn Sina had ontvangen.

De andere gebeurtenis was deze: Oghlu Beg gebruikte zijn avondmaal, en een uur later stierf hij onder hevige pijnen – juist op het moment dat hij een plan zou uitvoeren dat hem zoveel hoofdbrekens had gekost om het op te stellen. Hij was altijd traag van geest geweest; nu kostte zijn traagheid hem het leven. Hij stierf echter niet voordat hij de gelegenheid had gehad zijn bedoeling aan zijn broer en hoofdluitenant mee te delen en hem opdracht te geven hem te wreken. Deze begaf zich toen met vijf Turken van de wacht en een beulskleed naar de vertrekken van al-Ajjami; zodat de koningin tegen de ochtend haar beide minnaars kwijt was. Al voor de middag ging de wacht, die zonder hun Oghlu tot wanordelijkheid was vervallen er na hier en daar wat te hebben geplunderd ervandoor, om zich onder het vaandel van Mahmud van Ghazna te scharen.

De Sultan had beloofd binnen een week te arriveren: het was een zaak van eer voor hem om, althans in dit soort aangelegenheden, veel beter uit de bus te komen dan zijn woord deed veronderstellen. Die hele dag reden mannen vanuit het oosten aan met berichten over zijn nadering; en niemand onder hen bleef in de stad – ieder zocht een veilig heenkomen verderop. En de hele dag liep de stad door de westelijke poort leeg. Er werd gevreesd voor ordeverstoringen nu er niemand was om gezag uit te oefenen, maar door de angst bleef de situatie tot de avond redelijk rustig. Al voordat de zon was ondergegaan kon men vanaf de torens van het paleis stofwolken zien boven de vlakke oostelijke horizon. De volgende ochtend zou Mahmud van Ghazna aan de poorten staan, tegen de middag zou hij in de stad zijn binnengedrongen; tegen het vallen van de nacht — Er viel niets te doen. Hij zou de naam Yildirim[18] gehad kunnen hebben: ten allen tijde de meest gepaste titel voor deze typisch Turkse wereldschokker: zijn slagen vielen snel en verschrikkelijk als de bliksem, en er was geen ontkomen aan.’

De koningin wandelde in de schemering tussen haar rozen, heel kalm en trots; nog had ze zich niet aan wanhoop overgegeven. Ze had alles gedaan wat ze kon, hoewel dat niets was; ze had geen plan; ze kon en wilde niet stilstaan bij de dag van morgen. Ze volhardde nog steeds in een gelaten koninklijk zelfvertrouwen: welk lot haar lichaam ook ten deel mocht vallen, haar ziel zou de hoop niet verliezen. Als ze haar heer zou ontmoeten in het Paradijs – en moge dat morgen reeds zijn! – zou ze geen reden hebben om zich te schamen; en haar zoon zou haar niets te vergeven hebben. Haar zoon? Hij was nog niet geboren; toch stond hij haar in gedachte even helder voor de geest als haar echtgenoot. De dode en de ongeborene waren haar metgezellen; hier, in leven en op deze aarde, stond ze voor ze in: voor de toekomst en het verleden. Ze had het gevoel alsof ze op een of andere manier in twee werelden tegelijk stond: de ene uiterlijk en vol begoocheling, vol verschrikkelijke hersenschimmen en beroering; de andere innerlijk ­en bestendig, en waar vrede heerste; en vanuit deze innerlijke wereld kon ze met serene onbewogenheid neerzien op de chaotische gebeurtenissen er beneden of erbuiten. Want daar was al-Ka’us aan haar zijde; en de jonge held die in aantocht was, Hasan Ali ibn al-Ka’us; en de rozen bloeiden voor hen alle drie: zij en de rozen bevonden zich in beide werelden. Vanuit de Perzische bodem waren ze tot bloei gekomen, deze Perzische rozen, lieflijk vervuld van alle oude Perzische heldendaden en dromen; en wellicht ook zij (zoals Omar de Tentenmaker[19]):

Dacht soms dat bloeide nooit de roos zo rood

Als waar ene Caesar bloedde en lag dood –

laten we zeggen, Khusru[20] in plaats van Caesar. Deze waren wit, en deden, misschien, denken aan het witte haar van Zal[21]; en misschien aan de jonge Isfendiyar[22] op zijn reis in zeven etappes en zijn zeven wonderbare werken, van het lot de gouden wijsheid en tederheid die deze citroenkleurige rozen en die met de abrikooskleurige harten hun aanzijn gaven; en deze zo diep rode, zo ongeëvenaard volmaakte rozen – wellicht ontleenden zij hun glorie aan de droefenis van Rustum[23] over zijn gedode zoon Sohrab; of misschien was de glans die ervan afstraalde een weerspiegeling van een nog oudere band tussen de hemel en Perzië — van Fereydun’s zwaard, of de simurghveder van Zal[24],

of van het schort van de smit Kavah[25] of van de bokaal met zeven ringen.

Een grof kabaal uit de stad verstoorde de vrede van de rozentuin; in paniek geraakte hofdames kwamen naar haar toe gerend; het grauw van het volk, zeiden zij, was op komen zetten om het paleis te plunderen; en waar moesten ze zich verschuilen, of hoe konden ze ontsnappen, of wie zou hen beschermen? ‘Ik zal jullie beschermen, zei de Koningin; ‘wees niet bang!’ Ze ging het paleis binnen, trok haar koninklijke gewaad aan en zette haar tiara op, nam de scepter in haar hand en ze begaf zich naar de poort waar de menigte zich verzameld had; vervolgens liet zij de poort opengooien, zodat men haar zag staan in de toegang. Op koninklijke wijze, met een handgebaar gebood ze stilte, en werd gehoorzaamd; toen sprak ze tot haar volk. Ze nam hen in vertrouwen; noemde hen haar kinderen, en zij voelde dat zij dat inderdaad waren; ze sprak over hun heengegane koning alsof hij aanwezig was en die veel van ze verwachtte; en ze sprak over de koning die komen zou die ze onder haar boezem droeg. Dieven en mannen van nog bedenkelijker allooi lieten hun hoofd hangen; vrouwen die je duivelinnen zou hebben genoemd barstten in gezonde tranen uit; toen ze hen wegzond, gingen ze in stilte. Wat was er aan de hand die avond, dat haar groter maakte dan haarzelf? Gedreven naar de plaats waar geen hoop is, had ze dat goddelijk vertrouwen verworven, dat alleen hoop kan beloven en nastreven. Ze had geen hoop van node nu ze in bezit was van de innerlijke werkelijkheid.

‘s Nachts woedde er een hevige storm; in de morgen vond ze het paleis verlaten, afgezien van twee kameniersters die ze vanuit haar huis in de bergen had meegebracht. Ze vroeg hen haar te kleden in haar rijkste kledij en haar te tooien met alle tekenen van koninklijkheid; niet als een smekeling zou ze de wereldonderdrukker Mahmud tegemoet treden. In de Audiëntiezaal, aan de voet van de troon, vond ze een derde die haar niet had verlaten: al-’Awf de dwerg, die daar zat te babbelen en met een bal en een beker zat te spelen. Niemand wist te peilen wat er omging in de geest van deze ’Awf: soms was hij net een kind dat zijn eerste woordjes brabbelde; soms was hij helemaal idioot; soms laaide een flits van wijsheid op uit zijn simpelheid, zodat het leek alsof er een engel door hem heen sprak.

De koningin zou Mahmud niet daar opwachten, maar in de tuin: de drie die nu haar hof­houding vormden volgden haar. De storm van die nacht had alles tegen de vlakte gewaaid; ze vond slechts een trieste verlatenheid onder een grauwe hemel. De bodem was bestrooid met bloemblaadjes; de schoonheid van het paleis was verdwenen en er waren nu geen rozen meer om haar te troosten. De witte en de gele, de abrikoos­kleurige en de karmijnrode, de lange bloeitakken waren door elkaar geslingerd en uit elkaar gerukt; geen knop was ontloken sinds het ochtendgloren; er was nergens een bloem te zien. Ze kwam bij de struik die ze het meest liefhad, de glorieuze robijnharten rozen in de schaduw van de cipressen; al hun koninklijkheid was neergedwarreld in een schone regen van bloemblaadjes; er was slechts één knop over – maar wat een roos zou het zijn als die bloeide! Ze plukte die en ging droevig naar haar divan in de pergola. Deze onheilspellende vernieling van haar rozen was te veel; de werkelijkheid die haar de avond tevoren tot steun was geweest was niet langer binnen het haar bereik.

Al’Awf kwam haastig aan de voet van de troon zitten; hij had om zich heen zitten gluren en zitten babbelen in de tuin, vol van zijn eigen zaakjes — of die van Allah — geen menselijke geest kon het vatten. Nu scheen hij vol van een idee: hij deed ontzettend belangrijk; Het Wonder van deze Wereld moet zich getroost voelen, zei hij; zie, hier was al’Awf de Onverschrokkene, gezonden door de hemel om haar te beschermen. Hier was al-’Awf, op het punt om uit te rijden en te gaan onderhandelen met zijn oude vriend de zoon van Sabuktigin: om uit haar naam met dat gebroed van Sheitan[26] te spreken – om hem te commanderen, en niet zachtzinnig! Hier kraaide hij als een haan, waarom en wat dat te betekenen had, wie zal het zeggen? Nee, nee, niet commanderen, dat zou Mahmud alleen maar uit z’n humeur brengen; in zaken als deze moesten subtielere middelen worden gebruikt; de Parel der paarlen moet vertrouwen op de wijsheid van de door de hemel gezonden al-’Awf. Hij zou het speelgoed dat Mahmud van haar geëist had naar hem toebrengen; laat haar hem de Beker van Jamshyd brengen; een kleinigheid op zichzelf, maar het zou hoogstwaarschijnlijk de schelm tot bedaren brengen. … “Hier knielde hij voor haar, en hield zijn beide handen uitgestrekt om naar het scheen de rozenknop die ze in haar hand had aan te pakken; en zij, niet in de stemming voor zijn inspiratie of imbeciliteit, gaf hem die en zei, ‘Ja; ga maar!’ Als hij naar Mahmud zou gaan, zou hij tenminste een aanstelling aan het hof krijgen en goed of redelijk goed behandeld worden. Opschepperig liep hij naar buiten; en nu het rustig was viel ze in slaap.

. . . . . . . . . . . . . . .

Toen ze wakker werd zag ze dat in de nu zonovergoten tuin een schitterende militaire garde stond opgesteld; en vóór haar stond een zeer koninklijk en krijgshaftig man geheel in gouden wapenrusting en gehuld in goudlaken en scharlaken kledij; hij had een woeste gelaatsuitdrukking, maar deze werd nu verzacht door eerbied en bewondering, zodat men kon zien dat er een kiem van vriendelijkheid bestond die op andere momenten wellicht verborgen bleef.

‘O, Koninklijke Maan van Iran,’ zei hij, ‘Denk niet dat ik kom anders dan om u eer te bewijzen. Gij zijt degene die de overwinning behaalde; gij die van uw weelde mij het heilige geschenk hebt toebedeeld. …’

Tot dan toe waren haar ogen alleen op Mahmud van Ghazna gericht geweest; nu keek ze in de richting waarin hij wees, en zag al’Awf, in rijke kledij gestoken, ter linkerzijde van de sultan. Zijn mond was drievoudig volgestopt sinds hij de tuin verlaten had: eenmaal met snoep, eenmaal met parels en eenmaal met goud; en hij was geïnstalleerd – als zijnde een geschenk aan Mahmud van de koningin – als hoofd van de hofdwergen van de machtigste vorst in de Islamitische wereld.

‘Laat de sluier weggenomen zijn, o juweel van het dwergendom, opdat de Koningin nog eens de heerlijkheid van haar geschenk moge aanschouwen en zeggen of Mahmud’s vriendschap zo’n prijs wel waard is,’ sprak de sultan; waarop al-’Awf de goudlaken sluier wegtrok van het voorwerp dat hij in zijn band hield.

En al de schitterende wachters van Mahmud, de bloesems onder de edelen van Ghazna, vielen in het stof en betoonden hun eer. En Sultan Mahmud boog zijn hoofd en bedekte zijn ogen om ze te beschermen tegen de overdadige stralenkrans. … ‘Een robijn stralender dan de ondergaande zon; een vaas uit de schitterende pracht waarvan heerlijkheid stroomde en zich over de wereld verspreidde, en een heerlijke geur van muskus en rozenolie en sandelhout, en muziek het gezang van Israfel[27] gelijk, als het luitspel in Gabriëls[28] hemel. In zeven ringen van onuitsprekelijke lieflijkheid straalde hij daar … en alleen de scharlakenrode roos, de bloem van alle bloemen in Iran, wist met welke magie zij de Beker van Jamshyd als een bloem te voorschijn had gebracht.

  1. De beker van Jamshyd of Jamshid is de bokaal of kom met zeven ringen die toebehoorde aan de (mythologische?) magiër-koning Jamshid en die was gevuld met het elixir van de onsterfelijkheid; door middel van die nectar kon de koning het universum aanschouwen. Volgens de Engelse dichter en schrijver en vertaler (uit het Perzisch) Edward FitzGerald (1809-1883) symboliseerde de bokaal de zeven hemelen, zeven planeten, zeven zeeën etc., en werd gebruikt om de toekomst te voorspellen. [Esoterisch gezien staat deze voor de lering van de gebieden en hiërarchieën van het levende zonnestelsel en de cyclische wetten die daarin gelden – Red.] [<<]
  2. De tuin van Iram of Eram is een vermoedelijk elfde eeuwse tuin in Shiraz, Iran, terwijl de gebouwen uit de dertiende eeuw en later stammen. De tuin ligt aan de noordoever van de rivier de Khoshk. Hij maakt nu deel uit van de botanische tuin van de universiteit van Shiraz. [<<]
  3. Nu een tuin in Rawalpindi, Pakistan. [<<]
  4. De berg Kaf of Qaf (Jabal Qaf) is een mysterieuze berg, het meest verafgelegen punt op aarde wellicht de Noordpool. Volgens de historicus Tabari heeft “Allah deze berg Qaf overall rondom de aarde geschapen.” Zonder deze omringende berg zou de lucht niet blauw zijn. De berg is onbereikbaar voor mensen. In wereldse zin is het de Caucasus (Gapkuh (Perzisch) = onbekende berg). [<<]
  5. De Ghaznavid dynastie was een door de Perzische cultuur overheerst Islamitisch vorstenhuis van Turks-Mammelukse oorsprong dat op het hoogtepunt van zijn macht (977-1186) in grote delen van Iran, Transoxanië en Noord-India heerste. [<<]
  6. Ibn Sīnā of Avicenna (ca.980 – 1037) was een beroemd Perzisch filosoof, geleerde en jurist. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste denkers van de Perzische Gouden Eeuw. Hij schreef vooral veel over filosofie en medicijnen, en ook over astronomie, alchemie, geografie, geologie, psychologie, Islamitische theologie, logica, wiskunde, natuurkunde en dichtkunst. [<<]
  7. in het Oosten van Afghanistan. [<<]
  8. Ferdowsi, 935–1025 CE. Voltooide onder Mahmud zijn Shahnameh of ‘Boek der Koningen’ in het Perzisch. [<<]
  9. Arabisch voor Plato. [<<]
  10. Aristoteles. [<<]
  11. Het derde sultanaat 750–1258 en 1261–1517) sinds Mohammed, dat zich in zijn hoogtijden uitstrekte van Noord-Afrika tot aan de grens van India. [<<]
  12. Mahmud – wat hij in feite was. [<<]
  13. Alexander de Grote [<<]
  14. De engelen in Islam die het geloof van de doden testen in hun graf. [<<]
  15. Het land van de (mythologische) Perzische koning Fereydun (Freydun) van wie ook de Iraniërs afstammen, direct ten Noorden van Iran. [<<]
  16. De duivel of Satan in de Islam, de enige engel die weigerde zich te buigen voor Adam. Volgens de orthodoxie was hij een kwade geest (jinn) die de geboden van God niet opvolgde. [<<]
  17. Het Sassinidische rijk en de bijbehorende dynastie is de Perzische periode die duurde van 224-651 CE. [<<]
  18. Turks voor bliksemschicht. [<<]
  19. De karakterrol door Guy Bates Post (1875-1968) in een Amerikaanse geluidloze film uit 1922 van Walton Tully, getiteld Omar the Tentmaker (Omar Khayyam (Perzisch wiskundige, astronoom, dichter and filosoof, 1048-1131) verbeeldend. [<<]
  20. 1587-1622. Prins Khusrau was de in Lahore (huidig Pakistan) geboren eerste zoon van Sjah Jehangir. Hij werd vermoord in opdracht van zijn jongere broer, die vervolgens Jehargir opvolgde als Sjah Jahan – bekend als de bouwer van de Taj Mahal in Agra, India. [<<]
  21. De vader van Rustum of Rostam in de Shahnameh van de Perzische dichter Ferdowsi. [<<]
  22. Isfendiyar Bey was de heerser van Candaroğlu Beylik en Anatolia (in het Aziatische gedeelte van Turkije) van 1385 tot 1440. [<<]
  23. De tragedie van Rostam and Sohrab is een onderdeel van het tiende-eeuwse Perzische heldendicht Shahnameh van Ferdowsi, waarin het tragische verhaal van de helden Rostam en zijn zoon Sohrab wordt verteld. [<<]
  24. Simurghveer van Zal is de veer van de Simurgh, een gelukbrengend mededogend vliegend dier. Ze was de prinses van Kabul die Zal huwde. Tijdens een zwangerschap verkreeg Zal een veer die hij volgens de instrcuties van de Simurgh gebruikte voor een keizersnedeverlossing. De daarbij geboren zoon Rostam werd een van de grooste helden van de Perzische mythologie. [<<]
  25. Kaveh de Smit, ook bekend als de Smit van Isfahan, is een mythische figuur uit de Iraanse mythologie die een volksopstand leidt tegen een meedogenloze buitenlandse heerser Zahāk. Het verhaal is deel van de Shahnameh van Ferdowsi. [<<]
  26. Satan, Iblis. [<<]
  27. Israfil – de Brandende – is de engel van de trompet in de Islam, de trompet die hij zal blazen vanaf een heilige rots in Jerusalem om de komst de Dag van de Wederopstanding aan te kondigen. Hij is een van de vier Aartsengelen van de Islam. [<<]
  28. In de Islam, wordt Gabriel (Jibra’il) beschouwd als een van vier aartsengelen die God mijn zijn goddelijke boodschap naar de Aarde zond via verschillende profeten. [<<]
« | Contents | »