Home » 03 Het laatste avontuur van Don Quichot

« | Contents | »

03 Het laatste avontuur van Don Quichot

Print Friendly, PDF & Email

Towndrom - Don Quichot - Het vlammende zwaard

CIDE HAMETE BENENGELI[1] vertelt dit verhaal; ik kan echter niet zeggen hoe hij eraan komt. Trouwens, dat zou moeilijk zijn te achterhalen. Al het andere dat hij heeft geschreven werd door talloze getuigen bevestigd. Maar wie zou hier getuigenis van kunnen afleggen? Misschien was dat de reden waarom zijn vermaarde vertaler die boven alles een passie had voor nauwkeurigheid besloot om het uit de Castiliaanse versie weg te laten. Maar het kan ook zijn dat het één van de vele passages was die er door de autoriteiten uit werden geschrapt. Of misschien vond hij de stijl ervan noet goed genoeg en had hij te zeer het hart van een kunstenaar om het erbij te willen voegen. Toch vind ik dat het alleen al uit rechtvaardigheid tegenover de geduldige en stipte Cide dat het uiteindelijk moet worden gepubliceerd; en laat de critici voor zichzelf oordelen!

Het lijkt er aldus op dat het boek zoals we het kennen te vroeg eindigt. Don Quichot stond genezen van zijn ziekbed op, en nog iets meer dan dat. Hij was heel ernstig ziek geweest, dat is zeker. En het wonderlijke was nu hoe weinig hij zich ziek voelde. Over de hele lengte van zijn lange lichaam was alle pijn volkomen verdwenen – tenzij men een blakende en stralende gezondheid een pijn zou kunnen noemen; en wat betreft zijn denken …

Hij constateerde bij zichzelf een vreemde helderheid van geest die hem tevoren helemaal onbekend was geweest. Vroeger – weet u – was zijn denken altijd vertroebeld geweest door een soort – hoe zal ik het zeggen? – onzekerheid – een gevoel van door bedrieglijke illusies achtervolgd te worden. Deze hadden hem als het ware altijd begeleid als schimmen aan het grensgebied van zijn bewustzijn: ene Alonso Quijano[2], genaamd de Goede; wiens rustige prozaïsche leven op de een of andere manier zijn vale katoenen kledij had vermengd met de zijne van kostbare zijde en goud. Steeds was de macht van een of andere tovenaar er opuit geweest om over hem te heersen door de waarheid ontrent de dingen te vergiftigen met een subtiele verwarring. Een reus of een heidense keizer met zijn legers die hij op heldhaftige wijze tegemoet trad, bleek als in een of ander fantastisch visioen plotseling op te doemen om hem te bespotten, en bleek dan slechts een miserabele windmolen te zijn, of een herder met zijn kudde schapen. Er waren tijden geweest dat zijn waarlijk zo roemrijke paard Rossinant maar een miserabele magere knol had geleken – een illusie, als het tenminste ooit een illusie was geweest; en dat Mambrino’s magische helm[3] op het spoelbakje van de barbier had geleken. Er waren momenten geweest dat het idee om Gods Dolende Ridder te worden een hersenschim leek te zijn, een onbereikbaar schitterend doel; en alle pogingen om dat te bereiken leken verloren hoop. Hij placht met gevelde lans op zijn doel af te stormen, maar als in een droom struikelde hij en verknalde het door dingen die niets met de zaak te maken hadden; de sfeer om hem heen werd als natte wol en leek vol verraad; de hele tocht loste in het niets op als het ware; totdat hij tenslotte wankelend zijn onvermijdelijke smadelijke nederlaag tegemoet ging.

Niet dat hij ooit het vertrouwen in zijn roeping had verloren of ook maar een duimbreed aan twijfel had toegegeven. Hij had ondervonden dat het geweldige feit van de heerlijkheid om te dienen zelf – ofwel het dolende ridderschap – werkelijk bestond: dat was even zeker als de regenboog in de lucht, als het vuur van de zonsondergang en de dageraad; en je zou er met je hele wezen in op kunnen gaan: je kon je doel bereiken. Maar je moest je eerst door een wereld van misleiding heen vechten. En als hij nooit wanhoop gekend had, dan had hij ook nooit tot op zekere hoogte de schitterende werkelijkheid van de hoop leren kennen. Hij wist dat hij zijn vertrouwen had gesterkt uit de voorraadschuur van zijn bewuste wil: hij had daar zelf in moeten voorzien. Geen geestelijk manna was daarvoor uit de hemel komen vallen, en ook waren niet zoals vroeger de raven voedsel komen brengen voor Elia. Hij had niet echt gehoopt, maar had zichzelf gedwongen te hopen – tot nu toe.

Maar nu was alles anders; en hij hoopte zelfs niet alleen maar, hij wist. Meester notaris had zijn laatste wil opgemaakt en de geestelijke had hem de biecht afgenomen; zaken waaraan hij, hoewel men ze als nogal plechtig beschouwde, zo min mogelijk aandacht had besteed. Hij herinnerde zich dat Sancho[4] hem met veel gegrien gesmeekt had niet zo onverstandig te zijn om te sterven – wat dat ook te betekenen mocht hebben. Het was toen ongeveer geweest dat er een keerpunt was gekomen in de gang van zaken. Hij moest even in slaap gevallen zijn om aldus als een nieuw mens te ontwaken; met de volmaakte zekerheid dat niets dan overwinningen en belangrijke taken voor hem in het verschiet lagen. Zo keek hij naar zijn omgeving en naar het recente verleden met de onthechtheid van een denken dat nu op hoger dingen is afgestemd. Op het moment dat hij overleed hadden de mensen in huis er schimmig en half onwerkelijk uitgezien. Hij beval hen plichtmatig in Gods goedheid aan – in werkelijkheid, misschien alleen in gedachte, ging hij een groot avontuur tegemoet, en hij wist maar al te goed dat ze daar toch niet in geïnteresseerd zouden zijn. Ze antwoordden hem nauwelijks – dat wil zeggen, als hij tenminste iets zei. Daar had je de huishoudster, de goeie ziel – ze was ergens erg druk mee bezig en tegelijk liep ze blijkbaar te huilen. En daar zag je je nicht. Ze had rode ogen en hield zich muisstil; de baccalaureus Sánson Carrasco; de geestelijke; en meester Nicolás de barbier. De laatste drie schenen met elkaar in beraad te zijn en ze zagen er nogal droefgeestig uit – maar onwerkelijk, onwerkelijk. Sancho zat in de keuken, zag hij toen hij de open deur door ging, en die zat te grienen boeven een bijzonder groot bord eten. Hij vermoedde dat hij misschien een of andere band met die Sancho had gehad – of was het alleen maar dat deze dikke sluwe kerel toevallig dezelfde naam droeg als zijn, Don Quichots, schildknaap? Maar dat behoorde allemaal bij de bekoorlijkheden van de voorbije periode van betoveringen, en men moest daar niet teveel op terugstaren. Het deed er nauwelijks toe; want de dag der ware dingen was gekomen. Op dezelfde vage manier viel hem een algemene sfeer van verslagenheid op, en hij vroeg zich af wat daar de aanleiding toe kon zijn – maar erg druk maakte hij er zich niet om, want de dingen die hem te doen stonden deden een te dringend beroep op hem.

Hij begaf zich naar de stal; en – inderdaad, daar stond bij de voederbak een magere knol die er miserabel uitzag: een armzalige paardenhuid hing over een geraamte en op de vier hoeken in een prop over dingen die op benen moesten lijken: net zoiets als hij gedoemd was geweest zich voor te stellen dat zijn rossinant eruit zag toen de macht van de tovenaar over hem zegevierde. Maar daar, naast die bespotting van de begeleider van de Dolende Ridder, dat paard, stond ook de echte Rossinant, een en al vurigheid en zachtaardigheid en schoonheid: ledematen die geschapen waren voor snelheid en volharding, een glanzende huid, hoeven als zeeschelpen, een trotse gestalte en een gebogen nek: Rossinant, van een unieke vermaardheid die die van Bucephalus[5] van weleer of die van El Cids eigen Babieca[6] voorbijstreefde (en ruimschoots). Het prachtige schepsel hinnikte hem een welkom toe; met iets triomfantelijks in zijn stem, alsof het wist welk een gelukkig seizoen er was aangebroken. Wat betreft de knol, die ontbrak het alleen maar aan voldoende kracht om weerspannig te worden bij het zien van deze ridderlijke figuur in zijn schitterende wapenrusting – want zeker, Don Quichot was in volle wapenrusting, hoewel hij zich niet precies herinnerde hoe dat zo gekomen was; in zijn harnas gestoken – en om een lang verhaal kort te maken – in vol ornaat, zoals de heilige Apollo der Hemelen, in stralende schittering en rood goud.

Bij hem voegde zich Sancho Panza. Niet de man die hij zojuist huilend en vretend in de keuken had achtergelaten, maar eindelijk de ware Sancho Panza, de juiste schildknaap voor een dolende ridder. ‘Is het uwe hoogheids wil om uit te rijden?’ zei deze Sancho. ‘Zeker, goede vriend,’ zei Don Quichot; want nu is de dag gekomen dat we het grote avontuur tegemoet treden en uitgestrekte rijken gaan veroveren ter ere van het dolende ridderschap.’ Hij moest, denk ik, Dulcinea van El Tobosa vergeten zijn; anders zou hij haar hier zeker genoemd hebben. ‘Gods wil geschiede,’ zei Sancho; en zonder verder commentaar zadelde hij de prachtige Rossinant en leidde hem naar buiten. Op de weg stond een muildier te wachten, uitstekend opgetuigd. Nadat hij zijn meester in het zadel had geholpen en gezien had dat hij goed op zijn paard zat, besteeg de schildknaap het muildier en samen reden zij op.

Niet echter over het vertrouwde (en beroemde) Campo de Montiel[7]; maar door uitgestrekte gebieden die er anders uitzagen dan enig dat hij kende in La Mancha.[8] Vóór hem losten de enorme verten zich op in een wazig blauw. Aan de ene kant steile afgeknotte rotsen die zó hoog in de lucht oprezen dat je er duizelig van werd; aan de andere kant peilloze ravijnen waarin de in de diepte gelegen wereld schuil ging onder een wolkendek. Er waren ontzaglijke valleien, zo breed als de wereld; en hoge bergen die zich in de verte verhieven in een bleek turkoois en purper, en rondom de toppen daarvan verzamelden de helder flonkerende sterren zich in de milde avond. Een vurige extase en lichtheid maakten zich van Don Quichot meester, van zijn ledematen, zijn denken en zijn geest; zijn ziel werden vervuld van verwondering en inspiratie onder de bescherming van de bergen en de hemelvuren. Van vermoeidheid, honger noch dorst had hij last; die overweldigende schoonheid hernieuwde en versterkte onmiddellijk zijn krachten.

Hij reed verder, en babbelde van tijd tot tijd met de schildknaap over de daden van het ridderschap; kalme en schone woorden kwamen over zijn lippen; edel en prachtig waren de antwoorden die hij van zijn metgezel ontving. Ze hadden al een heel eind achter de rug toen het bij hem opkwam dat de naam Sancho eigenlijk ongepast was voor die ander. Hij had serieuze uitingen van poëzie en wijsheid aangehoord, eerst zonder acht te slaan op het ongewone daarvan, dan met toenemende verbazing, tot hij er op het laatst volkomen van overtuigd was dat hij nog nooit eerder door zo iemand was begeleid. Hij wendde zijn blik verwonderd af van de oneindigheid vóór hem, en zag toen de meest koninklijke onder de mensen naast zich rijden. ‘Señor,’ zei hij, terwijl hij zijn paard inhield. ‘Neem mij niet kwalijk, Señor Don Quichot,’ zei de ander, ‘dat ik naast uwe hoogheid rijd in deze streken. Mijn meester wenste, gezien uw daden en uw roem in La Mancha en omdat hij heeft opgemerkt dat die streek u weinig verdienstelijk is geweest, dat u een bezoek brengt aan zijn hof. Bovendien heeft hij, indien uwe hoogheid hem de eer wilt doen het te accepteren, het commando over een uitgestrekt en gevaarlijk gebied van zijn rijk voor u bestemd; want hij kent uw vermogen om zege te behalen op zijn meest hardnekkige vijanden. Echter, de weg is lang, en niet gemakkelijk te vinden; en daarom heeft hij mij gezonden om u naar zijn paleis te begeleiden.’

‘Caballero,’ zei Don Quichot, ‘mijn dank voor deze verheven goedgunstigheid dient eerder in daden dan in woorden geuit te worden. Mijn zwaard en mijn lans staan voortaan ter beschikking van uw grote monarch.’ Dus reden zij verder; maar het kwam op dat moment niet bij Don Quichot op om te informeren naar de namen en titels van de schildknaap. De bergen werden steeds ontzagwekkender en de valleien steeds breder naarmate ze vorderden. Langs de rand van de afgronden, waar de blauwe oneindigheid zich beneden hen uitstrekte; langs de kusten van nachtblauwe wateren, bezaaid met miljoenen trillende gouden vonken; dag en nacht, dag en nacht reden zij voort; en steeds groeide het bewustzijn van onsterfelijke kracht, de helderheid van puur zijn, in de geest en ledematen van de ridder. In welk Spanje bevonden zich deze kosmische bergen? Hadden ooit Amadis van Whales[9] of Palmarin van Engeland vroeger door deze streek gereden?

Zij bereikten vroeg op de avond de top van een kale pas, waar de weg zich splitste: één weg die naar rechts liep, hoog langs de berghelling, en de andere boog recht naar beneden af, het dal in. In de verte, schitterend als een geweldige krans in de zonsondergang, blonk een stad met vele torens en minaretten, schitterend als edelstenen en zacht als de wolken. Zij overstraalde de onmetelijkheid van de vallei – en de lange keten van bergen met besneeuwde toppen en hun fluweelblauwe en donkere en bleekpaarse tinten daaronder – en zij was als een kroon op de strengheid daarvan. ‘Dat is de machtige hoofdstad van mijn soeverein,’ zei de schildknaap.

‘Wat is dat voor een duister leger dat zich daarginds beweegt in de vallei?’ zei Don Quichot. ‘Wiens grimmige kasteel is dat, daarginds in de diepte naar het zuiden?

‘Het is het leger van de vijanden van mijn koning,’ zei de ander bezorgd en met een zucht. ‘Het kasteel is hun allerbelangrijkste bolwerk; van daaruit onderdrukt hun leider, een machtige en oproerige baron, op gewelddadige manier de wereld!

Binnenin hem zwol de ziel van Don Quichot aan tot machtige grootsheid. ‘Señor,’ zei hij, ‘ik had nauwelijks kunnen denken dat mij de gelegenheid zo snel geboden zou worden om de waarheid van mijn nieuwe trouw te bewijzen!’

‘Denk er niet over, Señor Don Quichot, ik smaak het u! Door hier rechtsaf te slaan zullen we hen vermijden en de verstandige weg kiezen; we moeten er rekening mee houden dat ze met velen zijn, en zeer machtig. Laten we het waarachtig niet doen! Mijn koninklijke meester zou het me nooit vergeven als uwe gratie ook maar het geringste overkwam! Het zal u weldra gegund zijn aan het hoofd van een leger tegen hen ten strijde te trekken; maar nu …’

Wat! Het was Don Quichot tegen wie hij sprak! De ziel van deze grote man was even onwrikbaar als de machtige bergen, even stralend als de ochtendzon. Met een zeer hooghartig gebaar maakte hij een buiging. ‘Señor,’ zei hij, ‘ik dien het dolende ridderschap in ere te houden.’ En met die woorden velde hij zijn lans en gaf zijn strijdros de sporen, en ging.

De roemrijke Rossinant stoof de helling af, zekerder dan de befaamde Pegasus uit de oudheid jagend door de midhemel. Geen betovering kon hem nu in haar greep krijgen; zijn gouden gestalte stoof recht op het grimmige leger af; de lans deed zijn werk en brak door de buitenlinies, en was toen verdwenen. En in plaats daarvan hield hij een mythologisch kromzwaard in zijn hand. Een gebrul van ontsteltenis rees op uit de menigte vóór hem en hij hoorde zijn eigen naam voortgalmen tot aan de horizon: Don Quichot van La Mancha! Helaas, het is Don Quichot! Nog steeds voortgedreven door de kracht van zijn plichtsbesef hakte en hieuw hij links en rechts om zich heen; met niets anders voor zijn geest dan de idealen van zijn roeping en de verheven norm die door de groten werd hooggehouden en op de verwezenlijking waarvan hij van het begin af zijn streven had gericht. Ze trokken terug; dan verzamelden ze zich weer en golfden op hem in; maar hij bleef doorvechten.

Zijn aanvalskracht was uitgeput, maar hij ging door met vechten. Het regende slagen op zijn schild en op zijn wapenrusting; hij begon het moeilijk te krijgen … en dwars door al het geroezemoes van de strijd heen begon een zeker geluid tot hem door te dringen; het getrappel en geblaat van duizend schapen op de weg; schapen die van achterop dichterbij kwamen; hij kon de herder horen roepen en de honden horen keffen; en het leek hem dat de betovering hem wederom parten ging spelen; en zie, gelijk met de zucht die hem bij die gedachte ontglipte, veranderde het getrappel en geblaat en geblaf in een triomfantelijk roepen van zijn naam: Voor Don Quichot van La Mancha! Voor de Tiende Held van de Wereld! En van achter hem kwam een groot gewapend leger hem te hulp, met aan het hoofd (herkende hij) de dappere ridder Pentapolín[10] met het naakte wapen, en zij dreven de vijand terug, waardoor Don Quichot voor een ogenblik met rust werd gelaten op het veld; zodat hij even op adem kon komen, en hij herstelde zich, en ging, met een woord aan Rossinant, weer tot de aanval over; maar wat er van het leger van Pentapolín was terecht gekomen, was hij zich niet bewust.

En nu viel hij aan op het centrum en greep, na vele machtige daden, de vaandelstok; en hij vocht en wankelde en worstelde, en de grote duistere voorhoedevechters omringden hem als een zwerm bijen hun koningin; zodat hij geen vooruitgang boekte en er ook niet in slaagde het vaandel weg te slepen; tocht hield hij de stok vast en wilde die niet loslaten; en zo deinde de verwarde strijd heen en weer; Don Quichot in het midden en heldhaftig slag leverend … en hij verheugde zich terwijl hij dacht dat …

Weer betovering; en misschien zou hij daar wel nooit van worden bevrijd; want hij hoorde het gekraak en geflapper van ronddraaiende molenwieken; het gesteun en geklaag van de raderen; en het was een wonder … want hij zag ze, aan alle kanten; gigantische windmolens die over de vlakte kwamen aansjokken; ze bleven niet op hun plaats staan zoals vroeger, maar kwamen dichterbij … en draaiden, krak, krak, kròng … en toen rees er een gebrul uit op en hij hoorde zijn naam roepen Don Quichot van La Mancha! Por Dios y Don Quixote! – en de molens, zie, het waren reuzen, allemaal in witte en zilveren wapenrusting; en zij drongen in op de mannen die Don Quichot trachtten te vellen, en dreven hen met een enorm gebrul op de vlucht, zodat mijn ridder weer even tijd had om op adem te komen; en toen verdween het grote leger van reuzen als een zucht van de wind; en opnieuw gebruikte Don Quichot zijn herwonnen kracht om vooruit te komen.

Nu dreef hij hen in verwarring over de vlakte, en naar binnen, door de poorten van de burcht; en hals over kop achtervolgde hij hen, en uiteindelijk stond hij met de vaandel voor de hoofdpoort; en hij donderde met zijn strijdknots – hij wist overigens niet hoe die in zijn hand kwam – op het valhek op het moment dat het met een klap naar beneden in het slot viel, zodat het huiverde en los kwam en bijna brak. Toen hoorde Don Quichot een hoorngeschal klinken vanaf de verre heuvels; en spoedig was de lucht vervuld van het ruisen van duizenden vleugels achter hem. Toen rees er een verschrikkelijk vlammenspuwend monster voor hem op, enorm en grimmig als de bergen. En het droeg een knots die de granieten bergen zou kunnen verpulveren zelfs op de plekken waar die het meest onverwoestbaar zijn; en een fakkel die een middernachtelijke duisternis en een weerzinwekkende stank verspreidde; en tussen de aanvaller en Don Quichot flitste plotseling een zwaard als het aanbreken van de dag, en een schittering brak door zo helder als de middagzon; en de valdeur werd verbrijzeld, de poort was gevallen; en de heer van de duisternis verdreven; en een leger van krijgers geheel in gouden wapenrusting en omkranst door gouden aureolen stormde met Don Quichot naar binnen. Hun wapenen waren vreemd en schitterend versierd met vleugels; en zo werd de burcht ingenomen.

Maar aan Don Quichots zijde stond degene wiens zwaard hem op het laatste moment had gered; het was de schildknaap die hem op zijn reis had vergezeld.

‘Señor,’ zei Don Quichot, ‘aan wie heb ik de eer mijn bevrijding te danken te hebben?’

‘Caballero,’ zei de ander, ‘bestede uwe gratie geen aandacht aan die bevrijding. Ik ben, in waarheid, de opperbevelhebber van de legers van mijn vorst; en in die status ben ik gekwalificeerd de grootheid van uw daad op haar waarde te schatten. Men noemt mij Michael met het Vlammende Zwaard.’

Zij aan zij, verwikkeld in een aangename conversatie reden zij op naar de poorten van het paleis van hun vorst: Don Quichot van La Mancha en Don Michael de Aartsengel; en beiden waren zij op wonderlijke wijze ingenomen met de adel en nobele houding van hun metgezel.

  1. Cide Hamete Benengeli is de fictieve door Cervantes (Miguel de Cervates Saavedra, ca 1547-1616) geschapen Moorse schrijver die de functie vervuld van vastlegger van de avonturen van Don Quichot. [<<]
  2. De ‘werkelijke’ naam van Don Quichot. [<<]
  3. Mambrino was een gefingeerde Moorse koning die in de romantiek van het heldendom wordt verheerlijkt. Volgens de legende bezat Mambrino een helm van zuiver goud die de drager daarvan onkwetsbaar maakte. Cervantes vertelt ons in zijn Don Quixote de la Mancha over een barbier die door een regenbui werd overvallen en om zijn hoed te beschermen zette hij zijn koperen spoelbakje omgekeerd op zijn hoofd. Don Quichot bleef echter volhouden dat dit spoelbakje de betoverde helm van de Moorse koning was. Don Quichot wilde die helm op de barbier zien te veroveren om zichzelf voor zichzelf onkwetsbaarheid te verwerven. [<<]
  4. Sancho Panza was de ongeletterde begeleider en helper van Don Quichot op diens avonturen die op een ezel naast de laatste reed. [<<]
  5. Boukefalos (Gr.), het ‘stierhoofdige’ paard van Alexander de Grote. [<<]
  6. Het oorlogspaard van El Cid – Rodrigo Díaz de Vivar (c. 1043 – 1099), een Castiliaanse edelman en militair gezagsvoerder in het middeleeuwse Spanje die door de Moren ‘El Cid’ (de Heer) werd genoemd. [<<]
  7. Een autonoom gebied in Albacete, Spanje. [<<]
  8. Het gebied in Centraal Spanje, ten Zuiden van Madrid waar zich de avonturen van Don Quichot afspleeden. [<<]
  9. Amadis de Gaula is zo op de juiste wijze vertaald, en niet als ‘van Gallië.’ [<<]
  10. Een imaginaire bevelhebber in de verbeelding van Don Quichot, maar in werkelijkheid de herder van een kudde schapen. [<<]
« | Contents | »