Home » 02 De inham met de rode perzikbloesems

« | Contents | »

02 De inham met de rode perzikbloesems

Print Friendly, PDF & Email

Towndrow - Red Peach Blossom Inlet - Chinese klassieken

WANG TAO-CHEN  hield van de Chinese klassieken. ((Dit verhaal is wellicht geinspireerd op een oud Chinees verhaal over Chang Chih-ho, dieleefde in de achtste eeuw na Christus under keizer Su Tsung van de T’angdynastie. Hij wordt beschouwd als een romaticus die in het bijzonder hield van daoistische bespiegelingen. Maar hij raakte in de problemen en werd vebannen. Spoedig daarna werd dit weer opgeheven in een general pardon. Vervolgens vluchtte hij de bossen en bergen in en werd een zwervende kluizenaar, en noemde zichzelf ‘de Oude Visser van de Mist en het Water. Hij bracht zijn tijd al hengelend door, maar gebruikte geen bijt want hij wilde geen vis vangen. Toen Lu Yü hem vroeg waarom hij een zwervend bestaan leidde, antwoordde hij: Met de hemel als mijn huis, de heldere man als mijn voortdurende metgezel en de vier zeeen als mijn onafscheidelijke vrienden – wat bedoelt u eigenlijk met zwerven?” En toen zijn vriend hem een comfortable huis aanbood in plaats van zijn armzalige boot, antwoordde hih: “Ik volg liever de meeuwen in het land van de wolken dan dat ik mijn etherische zelf begraaf onder het stof van de werld.”)) Dat was de reden waarom hij visser was geworden. Modernisme zou je een ongeneselijke ziekte kunnen noemen, vond hij; daar kon je je beter niet mee inlaten. Maar ver weg, midden op het meer, wanneer de horizon aan alle kanten in een blauwe nevel was gehuld en de wereld leek op een saffieren leegheid kon je de atmosfeer ademen van de oudheid en je wijden aan het streven naar onsterfelijkheid. Door studie van de Chinese klassieken, het tot rust brengen van de zinnen en het cultiveren van een stemming van universele welwillendheid – zo stelde Wang Tao-chen zich voor boven tijd en verandering uit te kunnen stijgen – een sennin, een adept, te worden, een onsterfelijke.

Hij had allang afstand gedaan van het verlangen naar een officiële carrière. Als hij, zo dacht hij, een manier zou kunnen vinden om door middel van het aanvaarden van een betrekking hervormingen in de administratie door zou kunnen voeren, zou de zaak anders liggen. Hij zou examens doen, een landvoogdijschap aanvaarden, door middel van promoties opklimmen, en zijn geleerdheid en karakter ten nutte maken. Natuurlijk zou hij vrede stichten; en er misschien tegelijk in slagen de vele rijken waarin het keizerrijk Han[1] uiteen was gevallen weer tot één natie samen te smeden. Maar helaas waren er slechts twee wegen naar succes: geweld en bedrog. En paradoxaal genoeg leidden beide altijd tot mislukking. Zodra iemand zich door bedrog of ellebogenwerk een positie had verworven, was hij getekend als potentiële prooi van alle anderen die zijn positie ambieerden. Je hoefde maar een jaar of twee te wachten op de sluwste onder hen om eruit gewerkt te worden, overgeleverd aan de justitiële raad om wellicht een kopje kleiner gemaakt te worden. De bekoring van een dergelijke carrière woog niet op tegen de nadelen; en Wang Tao-chen had besloten dat het niets voor hem was.

Dus onthield hij zich helemaal van politieke activiteiten en richtte zijn ambitie op de meer geheime gebieden van het bestaan. Door niet te handelen zou hij een zegen zijn voor zijn tijd; door niet te streven zou hij bezit nemen van Dao[2]. Hij zou een symbool van vreedzaamheid zijn in een wereld vol geweld, eerlijk waar iedereen corrupt was, sereen en oneerzuchtig in een tijd vol nerveuze ambitie. Laat ambtelijke verspilling aan mindere lieden over. Hijzelf zag liever de blauwe kalmte van het meer en de blauwe leegte erboven: een plek die zijn ziel kon reflecteren en mee kon wedijveren, de plek van ongestoorde stilte die een weerspiegeling was van de hemel. – En bovendien een plek waar men de dag door kon komen zonder eraan herinnerd te worden dat die stomme Li Kuang-ming, zijn buurman, zijn prefectuur al had verkregen en daar wel bij voer. Of dat de opzichtige en pronkzieke Fan Kao-sheng zijn graad van chin-shih had behaald, en over wie met waardering werd gesproken door iedereen die geen geestelijk onderscheidingsvermogen bezat. Als ze hem die twee maar eens een examen in de Chinese klassieken lieten afnemen!…

Zeker, er was voor iemand met een meditatieve instelling geen betere bezigheid dan vissen. Men werd niet gestoord door onderbrekingen – behalve als men beet had. Hij tolereerde die verachtelijke eigenschap van de vissen een jaar of twee, en hij bracht ’s avonds een goede vangst mee voor zijn vrouw, tot op het moment dat hij – zo vond hij – had afgedaan met alle aardse ambities en verlangens. Toen hij in staat was met gelijkmoedigheid aan te horen welke successen Li en Fan behaalden en zijn denken alleen nog maar op wijsheid was gericht keerde hij zich af van boeken en richtte zich op zuivere contemplatie. Zelfs de aandacht die de vissen van hem vroegen maakten hem ongeduldig. Hij zou zich meten met de wijze mannen van weleer – en dat was in dit geval erg simpel. Hij hoefde alleen maar zijn vishaak recht te buigen en al wat vinnen en schubben droeg in het Tao-tingmeer kon op zijn of haar beurt knabbelen zonder dat ook maar één van de vruchten van de sereniteit van de vertakkingen van Wangs geest zou worden afgeschud. Het was een ingenieus plan en het werkte uitstekend.

Je zal je misschien afvragen wat zijn vrouw daarvan zou zeggen. Hij behoefde zich daar gelukkig weinig zorg om te maken. Hij had het geluk, zo overwoog hij, een echtgenote als Pu-hsi te bezitten, die, hoewel zij niet met hem mee kon gaan op het door hem gekozen pad, toch zo te zeggen de wacht hield aan zijn zijde, en wel zonder zich te beklagen of er ruzie over te maken. Ze was een zachtmoedig vrouwtje, traag van geest, maar met dat al een goede huisvrouw. Ze bezorgde hem geen problemen in het leven en ontving daar zijn blindelings vertrouwen voor terug. Materiële zaken werden helemaal aan haar overgelaten – zeker een grootmoedige echtelijke genegenheid. Zijn thuis in het vissersdorp was iets waar hij zeker niet buiten kon, maar toch moest iemand die op weg was naar onsterfelijkheid zich met zoiets niet teveel bezighouden. Zonder twijfel voelde Pu-hsi de grote liefde en eerbied voor hem die hem als haar echtgenoot toekwam en het zou niet in haar opkomen zijn doen en laten in twijfel te trekken.

Goed, ze had een keer vlak nadat ze getrouwd waren er zachtjes op bij hem aangedrongen de normale gang van zaken te volgen en zijn examens te doen, maar een beetje praten had haar tot zwijgen gebracht. In dit geval met de vis zou hij het in haar eigen tempo tot haar door laten dringen dat er geen vis meer zou zijn, niet om te koken en ook niet om te verkopen. Als ze zich dat gerealiseerd had, zou ze zich natuurlijk, plichtsgetrouw als ze was, alle extra inspanning getroosten om de zaken te laten rollen zoals het hoorde. Het zou thuis geen ongemak veroorzaken en de rust zou er niet door worden verstoord.

En zo gebeurde het. Maar op een avond bekeek ze het vistuig en ontdekte de rechtgebogen haak; en ze dacht er maandenlang over na. Toen begon ze heel erg naar vis te verlangen, en terwijl hij sliep stond ze op en boog de haak zorgvuldig terug in zijn oorspronkelijke vorm, voorzag hem van aas en ging weer naar bed, en hoopte er het beste van.

Wang Tao-chen merkte het helemaal niet; misschien omdat, toen hij bezig was zijn vistuig bij elkaar te zoeken om te kunnen vertrekken een buurman bij hem aan de deur kwam om een net van hem te lenen met de belofte het diezelfde dag nog terug te brengen. Het was een onderbreking waar Wang zich inwendig gepikeerd over voelde, en dat maakte hem nonchalant, vermoed ik. Hij was al ver het meer op en had zijn lijn al uitgeworpen voor hij weer helemaal tot zichzelf kwam; en nauwelijks was hij tot rust gekomen en hij had beet, waardoor die rust weer werd verstoord – en het was een beet die niet genegeerd kon worden. Weg zwom de vis, en Wang Tao-chen erachteraan. Hij ging zo snel over het water dat hij er zelfs niet aan dacht om de hengel te laten vallen. Verder en verder ging het, zonder stoppen tot het middaguur. Toen stopte de boot plotseling en de lijn hing slap. Hij nam hem in, en zag dat de haak met aas niet was aangeraakt. Hij begon erover te peinzen wat dit allemaal te betekenen had. …

Hij was in een onbekend gebied terechtgekomen waar het er lieflijker uitzag dan enige plek waar hij ooit tevoren was geweest. Hij had het midden van het meer ver achter zich gelaten en bevond zich nu in de schaduw van de trotse heuvels. Het rimpelloze water weerspiegelde de schoonheid van de bergen, en het riet langs de oever was groener dan jade; de hibiscus bloeide prachtig. Hogerop, tussen de dennenbomen, schitterden de blauwe dakpannen van een tempeltje tegen een magisch uitziende lucht. Boven de steile rotsoever waarop kleine dennenboompjes halverwege hemel en aarde uit de loodrechte wand groeiden, dreven fijne wolkenslierten, blank als gepolijst zilver in een hemel die blauwer was dan geglazuurd porselein. Uit de bossen op de hellingen klonk het gezang van vogels, onbekend, en magisch zoet van klank. Terwijl hij ernaar luisterde voelde Wang Tao-chen het leven in zich groeien, en hoe er een kalme heiligheid over hem kwam alsof hij de lucht die geladen was met de onsterfelijkheid uit de Tuin van Siwangmu[3] in de westelijke wereld had ingeademd. De oever en het water leken te baden in een licht dat plotseling levendiger en rustiger was dan enig licht dat in aan hem bekende streken straalde.

De verkwikkende invloed van die plek wakkerde zijn nieuwsgierigheid aan en spoorde hem aan tot actie. Hij pakte zijn riem en begon te roeien. Hij roeide om de steile oever heen, de baai daarachter binnen; en naarmate hij verder roeide voelde hij zich steeds nader komen bij het hart van schoonheid en heiligheid. Een hoog, met dennen begroeid eiland verrees in de monding van de baai, zodat als je niet vlakbij de oever voer je de inham gemakkelijk voorbij kon varen zonder hem op te merken. Naar binnen – tussen het eiland en de heuvels door verhief zijn hele wezen zich tot poëzie en vrede. De lucht die hij ademde was een en al intense heerlijkheid, niets anders dan intens gewaarzijn. De dennen op de hoge heuvels aan beide zijden waren gekleed in een diep en volmaakt type groen. Vogels met lange staarten flitsen als vurige juwelen door de bomen en uit het bos over de baai heen. Het water, helder als diamant, weerspiegelde de betoverend mooie heuvels en de zoete hemel met z’n drijvende donzige wolkjes. Ook het wonder van de lagergelegen berghellingen werd weerspiegeld, waarop evenals in de valleien een onnoemelijke hoeveelheid perzikbomen uitbundig in rode bloesems waren getooid, en dat alles zag er even bekoorlijk uit als de tedere wolken van een zonsondergang.

Hij roeide tot dichtbij de oever, en verder onder de schaduw van de toverachtige perzikbomen en kwam terecht in een nauwe inham met diep water – wat voor hem het pad naar geluk en de hemelse oorden van wonderbaarlijkheid leken te zijn. Rozerode bloemblaadjes regenden aan alle kanten traag om hem heen naar beneden. Zelfs in het midden van de stroom kon je als je omhoogkeek slechts hier en daar kleine stukjes blauwe lucht zien. Hij ging verder tot hij via een bocht in de inham in een open vallei kwam, en er was een plek waar de bomen minder dicht opeen stonden – een huis aan de waterkant; en toen nog een huis, en nog een; tot hij middenin een dorp van verspreid staande huisjes kwam, bewoond door zachtmoedige en vriendelijke mensen, verheven van karakter, en wat betreft hun kleding en smaak, anders dan enig volk – dan enig ander, zou hij zeggen, dat hij ooit had ontmoet of dat ooit tussen de heuvels van Han had geleefd in die vele eeuwen.

Er ging een stralende rust vanuit, het was vreugde en welwillendheid zonder hartstocht, en de gedachten van die mensen waren verheven en kalm. Zij hadden zijn komst kennelijk verwacht: hij werd op koninklijke maar minzame wijze begroet en ze wezen hem meteen het huis waarin hij, zo zeiden ze, zo lang kon blijven wonen als hij wilde. Ze hadden geen nieuws, merkte hij, over wat er in welk hedendaags aardrijk dan ook plaatsvond en ze waren er ook niet in geïnteresseerd; ze hielden zich helemaal niet met politiek bezig en werden niet verontrust door oorlogen of geruchten daarover. Hier, dacht Wang, zou hij verder altijd blijven – zulke dingen waren nergens anders te vinden. Op deze verheven plek zou hij een wijs man worden: hij zou even vanzelfsprekend ontplooien als een bloem, maar dan in onsterfelijkheid. Als die mensen met hem spraken lieten ze zich dingen ontvallen die op een wonderbaarlijk manier verhelderend waren – maar toch op een vreemde manier een verlangen opwekte dat niet kon worden bevredigd – althans zo kwam het op hem over: je kon voelen dat er een verbazingwekkende wijsheid achter verborgen lag – je ving er een glimp van op, of er als het ware een tipje van werd opgelicht en daarna vervaagde het weer. Maar het miste de voldoening van de volledige samenhang. Dit op zichzelf prikkelde zijn verlangen naar kennis tot het uiterste; met de tijd zou hij leren en alles doorgronden. Natuurlijk zou hij voor altijd bij ze blijven. Hij zou ze van vis voorzien als dank voor hun gastvrijheid. Toen hij die nacht in slaap viel, wist hij dat er tot deze dag geen andere zo volmaakt was geweest – althans het laatste deel ervan. …

. . . . . . . . . . . . . . . .

De bloesems vielen van de bomen; de jonge vruchten vormden zich en rijpten langzaam in een type zonlicht dat liefkozender was dan enig zonlicht in de gewone mensenwereld. En naarmate de vruchten rijpten werd de lucht in de vallei iedere dag wonderbaarlijker en verkwikkender – er ging steeds meer inspiratie vanuit. Tegen de tijd dat de eerste donkere blos verscheen op het geelgroen van de perziken schreed Wang Tao-chen voort alsof hij gewichtloos was. Hij ademde louter vreugde en voelde zich als iemand die buiten alle verwachting een verheugend bericht had ontvangen. Onophoudelijk welden gedachten in hem op van een diepzinnigheid die alles overtrof wat hij had gedacht sinds hij de eerste keer de vallei was binnengekomen. Nu werd zijn denken zo helder als de nachtelijke hemel tussen de sterren waar lichtgevende draken immer vloeiend voortsnellen, en glanzend licht van zich afwerpen, prachtig. Naast zijn deur groeide een boom waarvan de kronkelende takken over een vijver met gouden karpers hingen.

Toen hij op een ochtend zijn huis uitkwam zag hij de eerste perzik lichtgevend van zijn tak af in het water vallen; en hij verspreidde zijn zoete geur door het diamanten licht van de jonge dag. Terwijl hij in stilte de hemel aanbad pakte hij de drijvende perzik en bracht die naar zijn mond. Op het moment dat hij dat deed hoorde hij de trage tred van ossenhoeven op de weg op de heuvel: het zou wel zijn buurman zo-en-zo zijn, die iedere dag om die tijd zijn os naar beneden leidde om hem bij de inham te laten drinken. (Vreemd dat hij nooit de namen van zijn dorpelingen had geleerd; en dat hij er tot nu toe nooit aan gedacht dat zij namen zouden kunnen hebben.) Op het moment dat de eerste smaak van de perzik zijn verhemelte streelde keek hij omhoog en zag de Osrijder … en hij liet zich voorover vallen en bracht zijn eerbetuigingen; want het was Laozi[4], de Meester zelf, die zijn os uit de wereld weg had gevoerd, de Westerhemel in, zo’n zeven- of achthonderd jaar geleden.

Op hetzelfde ogenblik, en voortaan altijd, was deze plek helemaal nieuw voor hem en duizendmaal schoner. Wat hij voor hutjes had gehouden ware nu lieflijke pagoden van jade en porselein, en het zonlicht werd weerkaatst door het glazuur van transparant azuur, oranje of vermiljoen, van lichtgevend geel of groen of purper. Door de heldere middag- en avondlucht kon men vorstelijke draken zien vliegen: gouden en stralende draken; of draken die vanaf hun vleugels een violet licht verspreidden; of waarvan de tint de essentie was waaraan de blauwe lucht haar blauwheid ontleende; of witte draken die als ze voorbijschoten op vallende sterren leken. Wat betreft zijn buren, hij wist nu dat zij de Groten waren van weleer; mensen die één geworden waren met Dao, die zich in de lucht konden verheffen op de Eenzame Kraanvogel; mensen die gegeten hadden van de Perziken van Onsterflijkheid. Daar verbleven de stichters van nu reeds duizenden jaren geleden verdwenen dynastieën: menselijke draken en goddelijke heersers: de hemelkoningen, de aardekoningen en de mensenkoningen; al die figuren die als een gedempt licht uit de gouden waas van de Chinese prehistorie naar voren treden en daar stralen in een typisch vreemde klassieke pracht. Hun lichamen verspreiden een hemels licht; de klanken van hun stemmen klonken als fijnzinnige muziek. Voor hun plezier verhardden ze soms sneeuw tot zilver of veranderden de aard van zwavelkwik zodanig dat het geel tot goud werd. Soms beteugelden ze de vliegende draak en brachten een bezoek aan de Gelukkige Eilanden van de Ochtend; soms bestegen ze de oude grijze kraanvogel en zweefden over het rijk en bezochten de Betoverde Tuinen van het Westen, waar Siwangmu, de koningin van de avond woont en waarnaar azuurgevederde vogels uitvliegen en ongezien zingen boven de wereld; en hun gezang zijn liefde en vrede en de onsterfelijke gedachten van de mensheid. En voor ieder zichtbaar vlogen die wondervogels over de Vallei van de Inham met de Rode Perzikbloesems, ze streken er neer en werden door de dorpelingen gevoed met hemels voedsel opdat hun vermogen om goede dingen te doen nog groter zou worden wanneer ze zich tussen de mensen zouden begeven.

Zeven jaar woonde Wang Tao-chen er: hij genoot van het goddelijke gezelschap van de wijzen en vernam van hun lippen de filosofie van de goden zelf totdat zijn geest zo helder werd als de schittering van een diamant; zijn vermogen om waar te nemen strekte zich nu in vrede uit over verleden, heden en toekomst. Zijn gedachten, zelfs de gewoonste, waren van een nog stralender lieflijkheid dan de inspiraties van de grote dichters. Toen, op een morgen, toen hij aan het vissen was, dreef zijn boot af de baai in, en voorbij het eiland in het open meer.

En hij begon zijn leven in de vallei te vergelijken met zijn leven zoals het misschien in de wereld daarbuiten zou zijn. Onder de stervelingen, zo dacht hij, zou hij met de kennis die hij verworven had zijn als een herder met zijn kudde. Hij zou elke top van macht kunnen bereiken; hij zou de wereld kunnen herenigen en hij zou een tijdperk kunnen inluiden, glorieuzer dan dat van Han …. Maar hier, te midden van deze groten en wijzen, zou hij altijd – wel, was het niet een feit dat zij op hem neer moesten kijken? Hij herinnerde zich Pu-hsi, die hij al die tijd was vergeten; en bedacht hoe verbaasd ze zou zijn – hoe ze hem meer dan ooit eerbied voor hem zou koesteren nu hij na zo’n lange tijd zou terugkeren en zo was veranderd. Het zou een kleine moeite zijn om het meer over te roeien en te gaan kijken; en de volgende dag terug te keren – of wanneer de mensenwereld hem zou gaan vervelen. Die avond meerde hij aan aan de bekende kade en ging met zijn vangst naar huis.

Maar Pu-hsi toonde zich helemaal niet verrast en ze toonde ook absoluut geen opgetogen voldoening – tot ze de vis zag. Het was een klap in zijn gezicht, maar hij verborg zijn gevoelens. Toen hij vroeg hoe zij zich vermaakt had tijdens zijn afwezigheid, antwoordde ze dat die dag geweest was als alle andere. Er klonk iets verlegens, schuldigs zelfs, in haar stem, maar dat merkte hij niet. ‘De dag?’ zei hij; ‘de zeven jaar!’ – en haar verlegenheid werd overschaduwd door verwondering, en ze begreep er niets van. Op dat moment kwam de buurman aan de deur ‘om het net terug te brengen,’ zei hij ‘dat hij die morgen geleend had’ – het net dat Wang Tao-chen hem had geleend voor hij wegging. En schijnbaar om een babbeltje te maken: ‘Ik heb gehoord dat Ping Yang-hsi en Po Lo-hsien morgen vertrekken naar de provinciehoofdstad om examen te doen.’ Wang Tao-chen snakte naar adem. ‘Dat hadden ze’ begon hij; daar brak zijn zin af en liet ‘zeven jaar geleden toch al moeten doen’ achterwege. Hier was werkelijk sprake van een mysterie.

Hij won omzichtig inlichtingen in over de gebeurtenissen van dit en het afgelopen jaar; en de antwoorden brachten zijn hoofd nog verder op hol. Hij was maar een dag weggeweest, alles bevestigde dat. Had hij dan die hele zeven jaar alleen maar gedroomd? Bij alle heerlijkheid waar die jaren uit hadden bestaan; bij de onsterfelijke energie die hij voelde in zijn geest en in zijn aderen; nee! Hij zou voor zichzelf de waarachtigheid ervan bewijzen; en hij zou zichzelf bewijzen aan de wereld! Hij kondigde aan dat hij het examen ook zou doen.

En dat deed hij; en hij liet al zijn mededingers verbaasd achter zich. Hij slaagde op zo’n briljante wijze dat heel Tsin erover sprak; en toen hij terugkwam was zijn vrouw er net met een ander vandoor gegaan. Dat zou hem waarschijnlijk koud laten. Hij had zeven jaar geleefd zonder aan haar te denken. Maar ze zou tenminste berouw moeten tonen: ze moest maar leren welk een groot man ze in de steek had gelaten. Zonder ophouden deed hij examen na examen en voor het jaar om was werd hij geprezen als de meest briljante onder het opkomend talent. Hij maakte de ene promotie na de andere, totdat de Zoon van de Hemel hem tot eerste minister benoemde. Bij ieder succes lachte hij inwendig: hij was bezig zichzelf te bewijzen dat hij onder de onsterfelijken had vertoefd. Zijn naam was bekend in alle rijken van China; de afgezanten van vele machtige koningen maakten hun eerbiedige opwachting bij hem. Niets kon hem echter tevreden stellen. Hij moest zijn grootse herinnering nog verder bewijzen, en steeds grotere triomfen moesten zijn eerzucht voedsel verschaffen. Als aanvoerder van het leger bracht hij de nederlaag toe aan de Hunnen, en legde zijn wil op aan het westen en het noorden. Hij was bijna zover, zeiden de mensen, dat het hele Volk van de Zwartharigen weer één zou zijn onder de stichter van een nieuwe en zeer machtige dynastie.

En nog steeds was hij onverzadigbaar. Hij ontmoette geen kameraadschap in zijn grootheid; niemand die hij liefhad of vertrouwde, niemand die aan hem vertrouwen of liefde schonk. Zijn keizer was niet meer dan een marionet in zijn handen tot wiens niveau hij zijn innerlijke gestalte op pijnlijke wijze moest verlagen. Zijn vrouw, de dochter van de keizer – vleide en vreesde hem, maar nog meer dan dat verachtte ze hem. De wereld zong zijn lof en zweerde tegen hem samen om hem ten val te brengen; hij ontdekte de samenzweringen en strafte de samenzweerders, en vervulde de wereld met zijn schitterende activiteiten. Maar al die tijd schreeuwde een stem in zijn hart: In de Inham met de Rode Perzikbloesems bezat je vrede, kameraadschap, vreugde!

Twintig jaren gingen voorbij en nog steeds steeg zijn roem. Men fluisterde dat hij zeker geen gewoon sterveling was, maar een genie, of een sennin, iemand die Tao deelachtig was. Want hij werd niet ouder naarmate de jaren voorbijgingen en bezat nog steeds het uiterlijk van de jonge man op de dag dat hij uit de Vallei terugkeerde. En nu lag de Zoon van de Hemel op sterven en er was niemand die zijn troonopvolger kon zijn behalve een ziekelijke en verdorven jongen; en iedereen dacht dat de grote Wang Tao-chen de gele mantel zou aanvaarden. De dynastie had het mandaat van de hemel uitgeput.

. . . . . . . . . . . . . . . .

Het was nacht en hij was alleen; heimwee drukte op zijn ziel. Hij had zojuist de grote hofdienaren, de ministers en ambassadeurs die gekomen waren om hem de troon aan te bieden weggestuurd. De mensen schreeuwden overal om hereniging en beëindiging van de verdeeldheid en het opnieuw tot leven komen van de roemrijke dagen van Han; en wie anders dan Wang zou deze dingen kunnen bewerkstelligen? Hij had zijn hovelingen weggestuurd met de belofte dat hij de volgende morgen antwoord zou geven. Hij wist dat niet één van hen werkelijk uit zijn hart gesproken had of werkelijk zijn eigen wens te kennen had gegeven; maar ze waren gekomen omdat ze het verstandig hadden geacht op het onvermijdelijke vooruit te lopen. Want helaas! Er was niemand in de wereld aan hem gelijk … In het bijzonder onder degenen die hem de soevereiniteit opdrongen was er niemand met wie hij op gelijk niveau kon praten – niet één die groot genoeg was om hem te begrijpen. Hij zag en hoorde een beleefde vijandschap en angst achter hun minzame gezichtsuitdrukking en hun hoffelijke en vleiende woorden. Een Zoon van de Hemel te zijn – tussen hovelingen als deze!

Maar in de Vallei van de Inham met de Rode Perzikbloesems kon men elke dag praten met de Oude Wijsgeer[5] en met Zo-en-zo; met de hertog van Chow en met Muh Wang, en met Tang de Voleindiger; met de Koninklijke Vrouwe van het Westen; met Yao, Shun en Ta Yü zelf, die smetteloze vorsten uit de Gouden Eeuw; – Ja! Met Fu hsi de menselijke drakenkeizer en de zeven drakenministers; met de Verheven Monarchen van de drie Verheven Tijdperken van de ochtendschemering van de wereld; de hemelkoningen, de aardekoningen en de mensenkoningen … Hij trok zijn statiekledij uit en trok een oud visserspak aan waarvan hij nooit afstand had durven doen; en hij kneep er tussenuit, weg van zijn paleis en zijn hoofdstad; en hij zette koers in westelijke richting naar de oevers van het Tao-tingmeer. Hij zou een boot nemen en van wal steken, het meer opgaan en teruggaan naar de vallei van de inham met de rode perzikbloesems; en hij zou Fu-hsi en de Gele Keizer raadplegen – of het Hun wil was dat hij, de onbevoegde Wang Tao-chen, het zou wagen de troon te bestijgen. Maar tegen de tijd hij in zijn geboortedorp was aangekomen en een boot en visgerij had gekocht en in de vroege ochtend het meer was opgevaren, had hij een ander doel voor ogen: nooit, nooit, nooit meer zou hij het gezelschap van de onsterfelijken verlaten. Het koningschap liet hem onverschillig; hij zou wonen onder de groten en wijzen van weleer, op deemoedige wijze blij de minste van hun dienaren te zijn. Hij had zichzelf een naam verworven in de geschiedenis; Zij zouden nu niet helemaal meer op hem neerkijken. En hij wist dat hij in die heerlijkheid het eeuwige leven zou hebben: hij had van de perziken van onsterfelijkheid gegeten, en kon dus niet sterven. Hij huilde toen hij de blauwe eenzame schoonheid zag midden op het meer; en al wat hij verlangde was nu zo dichtbij …

Na verloop van tijd bereikte hij de verre oever, en de ene na de andere steile oever die hij meende te herkennen; maar eromheen varend vond hij geen eiland, geen baai, geen tempels met daken van geglazuurde pannen, geen bossages van roodbloeiende perzikbomen. Het moet verderop zijn … en verderop … Soms verscheen er een eiland, maar niet het eiland; soms een baai, maar niet de baai; soms gleden een eiland en een baai voorbij, en zelfs perzikbomen; maar er was geen inham die met rustig water onder de bomen doorliep, lieflijk door een regen van bloemblaadjes – en zeker niet die goddelijke rode regen van weleer. Toen herinnerde hij zich de grote vis die hem die heilige omgeving ingetrokken had; en hij wierp zijn lijn uit en vestigde daar zijn hoop op.

. . . . . . . . . . . . . . . .

Dit gebeurde allemaal zo’n zestienhonderd jaar geleden. Nog steeds, zegt men, horen visser op het Tao-tingmeer soms, in de schimmige avonduren, of als de nacht hen heeft ingehaald als ze nog ver op het meer zijn, dichtbij een fluistering: een fluistering uit het niets, waar geen boot te zien is: een ademloos wanhopig gefluister: ‘Hier was het … beslist, hier moet het zijn geweest! … Nee, nee, het was daarginds!’ En soms is het enkele van hen gegeven een oude, gekke boot te zien die helemaal vermolmd lijkt te zijn – men zou zeggen louter het skelet of het spook van een boot die al eeuwenlang dood is, maar die door een of andere magische kracht toch blijft drijven; en daarin zit een man, gekleed in de vodden van een antiek kostuum, op wiens jonge gezicht een onaards verlangen en een onsterfelijke droefheid is te lezen, en een onuitsprekelijke wanhoop die toch hardnekkig volhoudt. Zijn lijn is uitgeworpen; hij komt snel voorbij, met gespannen ogen naar het water turend en altijd fluisterend: ‘Hier was het … beslist, hier moet het geweest zijn! … Nee, nee, het was daarginds … het moet daarginds zijn geweest …’

  1. Het keizerrijk Han bestond van 207 voor tot 220 na het begin van de Europese jaartelling, en werd opgevolgd door de ‘Drie Koninkrijken’. [<<]
  2. Ook: Tao: De ‘Weg’ die niet beschreven kan worden, tevens het doel, ‘het essentiële, onnoembare proces van het universum’, beschreven in de Daodejing of Tao Te Ching van Laozi of Lao Tzu [<<]
  3. Xi Wangmu (Hsi Wang Mu was de sjamanistische grote godin van China en is een van de oudste godheden aldaar. Ze woont in het Kunlun gebergte in het verre westen bij de grens tussen de hemel en de aarde. In een tuin die achter de hoge wolken schuil gaat groeien haar perziken van onsterfelijkheid aan een kolossale boom, en ze rijpen slechts eens in de drieduizend jaar. De boom is de kosmische as die de hemel met de aarde verbindt en is een ladder die voor geesten en sjamanen wordt beklommen. (Naar Max Dashu:

    http://www.suppressedhistories.net/goddess/xiwangmu.html). [<<]

  4. ook gespeld als Laotse of Lao Tzu, ‘de oude Meester’ [<<]
  5. Laozi/ Lao-tze (rond de 6de eeuw voor Christus) of Kongzi/ Confucius/ Kong Fuzi (551–479 voor Christus. [<<]
« | Contents | »